- blad nr 2
- 21-1-2006
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Minder betaalde lio-stage
In 2004 boden alle basisscholen samen 2064 volledige banen aan als lio-stage, in 2005 waren dat er volgens de Aandachtsgroepenmonitor van het ministerie van Onderwijs en het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen nog maar 1683.
“Een treurige ontwikkeling”, vindt Liesbeth Verheggen, dagelijks bestuurder van de AOb. “De stage als leraar-in-opleiding hebben we niet voor de grap verzonnen. Het is een prima manier om in het vak van leraar te groeien, waarbij een student een opleiding volgt en werknemer is.”
Bij een lio-stage gaat het om een aanstelling waarbij een student de helft van de tijd werkt en de andere helft een opleiding volgt. Een aantrekkelijke en goede manier om in het vak te groeien, waarvoor het ministerie in het verleden expliciet geld heeft vrijgemaakt. De daling heeft alles te maken met de arbeidsmarkt: het lerarentekort in het basisonderwijs is over zijn hoogtepunt heen en het aanbod van onbetaalde stagiaires is groot. Scholen voelen er daarom veel minder voor om geld te steken in een stageplaats.
Door hun budgetvrijheid hoeven scholen het daarvoor vrijgemaakte geld niet aan lio-plaatsen uit te geven. In tijden van nood – tijdens het lerarentekort – waren zij daar wel toe bereid. Zo verdubbelde het aantal lio-plaatsen in recordtempo van duizend in 2003 naar ruim tweeduizend in 2004, om nu weer in te zakken. “Schoolbestuurders zijn duidelijk bezig met het korte termijnbeleid”, signaleert Liesbeth Verheggen. “Willen we met z’n allen het beroep van leraar kwalitatief goed en aantrekkelijk houden, dan hoort daar voor alle studenten in het vierde jaar een lio-stage bij.”