• blad nr 1
  • 7-1-2006
  • auteur E.. Prins 
  • Redactioneel

Nederlandse leerkrachten in Surinaams binnenland 

Bakra’s in de bush

Eén leerkracht voor honderd kinderen in een kaal, vervallen schoolgebouw. Zo zou de basisschool in Kayana, een klein dorp in het binnenland van Suriname, eruitzien als er vanuit Nederland geen hulp kwam. Drie bakra’s - witte Hollanders - werken er dit schooljaar, diep in het tropisch regenwoud, verstoken van telefoon, televisie, wegen en winkels. Hun motivatie? Een bevlogen schoolleider helpen die dolgraag vooruitgang wil.

“Het voelt soms of ik in een documentaire van National Geographic leef”, zegt Jenny van Leer. Wie haar uitzicht ziet, snapt waarom. Tegenover drie aan elkaar gebouwde huisjes voor leraren, samen met de school en de polikliniek de enige stenen gebouwen in Kayana, doet het groen van de jungle in het felle zonlicht bijna zeer aan de ogen. In de rivier doen vrouwen voorovergebogen hun (af)was die ze op het hoofd terug naar huis dragen. Blote kinderen lopen mee of blijven zwemmen en vissen.
In het dorp, dat ongeveer tweehonderd inwoners telt, gaat bijna alles nog zoals ruim driehonderd jaar geleden toen de eerste bewoners, slaven uit Afrika, van de plantages de bossen invluchtten. Kayana bestaat uit een verzameling kleine houten huizen met daken van palmbladeren. Uit de kookhutten komt de geur van houtvuur. Vrouwen bakken cassavebroden, kinderen stampen ondertussen rijst.
Wat bezielt Nederlandse leerkrachten om hier, in een primitief dorp midden in de Surinaamse jungle, een schooljaar te wonen en werken?
“Mijn motivatie is heel dubbel”, zegt Van Leer. “Ik wil ‘iets goeds’ doen, maar tegelijkertijd zie ik het ook voor mezelf als een enorme ervaring.” In Nederland had Van Leer nog geen vast werk. Als herintreedster verving ze twee keer een half jaar een leerkracht.
Leerkracht Anneke Rietveld heeft een ander motief. “Ik wil wel eens ontdekken of ik het ook onder primitieve omstandigheden red.” Rietveld heeft ruim 25 jaar onderwijservaring. Voor dit avontuur nam ze een jaar onbetaald verlof en liet ze haar man achter in Nederland. Ook Van Leer liet haar vriend achter. “Voor mij is dit een lang gekoesterde wens die in vervulling gaat”, zegt ze.
“Frits”, antwoordt Jan Ras resoluut op de vraag wat hem naar Kayana bracht. De net gepensioneerde docent Nederlands als tweede taal (nt2), raakte tijdens een eerder bezoek gemotiveerd door de grote inzet en bevlogenheid van schoolleider Frits Dinge die geboren en getogen is in Kayana. “Frits werkt keihard voor de school en het dorp”, vertelt Ras.

Strafkamp
Tijdens een avondwandeling door het pikdonkere dorp vertelt Dinge: “Het leven is hier mooi en rustig, maar ook primitief en zwaar.” Als een van de weinigen in Kayana beschikt hij over een generator en een watertank. Het dorp heeft in principe ’s avonds een paar uur stroom, maar alleen als Paramaribo de brandstof voor de generator levert. En dat gebeurt soms weken niet. Dinge: “Wij lopen hier echt achter.”
De schoolleider wil vooruit, ontwikkeling, een lichter en comfortabeler leven voor de mensen in Kayana. Hij heeft veel plannen voor bijvoorbeeld de aanleg van een weg en het opzetten van een houtwerkplaats. Maar Dinge weet: “Alle ontwikkeling begint bij goed onderwijs.” Daar heeft hij dan ook veel voor over. Zo heeft hij eigenhandig de binnenkant van de school geverfd en de kasten en tussenwanden getimmerd. Ook verslindt Dinge, die in 1989 na drie maanden training voor de klas kwam te staan, lees- en studieboeken om zijn kennis en woordenschat te vergroten. Maar hij kan het allemaal niet alleen.
Zonder de Nederlandse leerkrachten zou de schoolleider het wel alleen moeten doen. Want diep in het binnenland wil bijna geen Surinaamse lerraar werken. Hemelsbreed ligt Kayana nog geen 230 kilometer van Paramaribo, maar bij een lage waterstand van de Gran Rio-rivier duurt de reis twee dagen: een dag varen met een korjaal en een dag in een volgepropte bus over een hobbelige zandweg. Vliegen kan ook, aan de overkant van de rivier ligt een airstrip, een landingsbaan van gras. Vliegen duurt een uurtje, maar is voor de meeste bewoners onbetaalbaar.
“Kayana wordt gezien als een strafkamp.” Rika Echteld windt er geen doekjes om. Echteld is de kersverse directeur van de Stichting onderwijs EBGS, het evangelische schoolbestuur waar de Kayana-school onder valt. Voor dit schooljaar had ze 350 aanmeldingen van nieuwe leerkrachten. In het binnenland waren 35 tot veertig vacatures, vertelt ze in haar kantoor in Paramaribo. Slechts veertien vacatures, het dichtst bij de stad, zijn opgevuld.

Grote achterstand
De Nederlandse leerkrachten zijn nu anderhalf maand in de bush. Van heimwee naar huis of naar de luxe van de stad is nog geen sprake. Maar het lesgeven is pittig, zeggen ze. De achterstand van de leerlingen, die thuis en in het dorp uitsluitend de creolentaal Saramaccaans spreken en horen, is groot. “Qua leesniveau lopen ze minstens twee jaar achter”, zegt Ras, die aan de combinatieklas 5/6 (groep 7/8) lesgeeft.
De leerlingen zijn niet gewend aan regels en tijden. In het dorp kunnen ze veelal hun eigen gang gaan. Vader is vaak weg, naar de stad of het bos in om hout te kappen, en moeder werkt overdag op haar kostgrondje, een open gekapt stuk oerwoud. Schoolse vaardigheden als stilzitten zijn de kinderen niet gewend. Bovendien hebben ze thuis geen speelgoed, boekjes of potloden. Dit is vooral te merken in de eerste klas (groep 3) van Van Leer. Hier wordt gegild, gerend en gevochten. Haar pogingen de 29 kinderen stil in een kring naar een verhaal te laten luisteren, mislukken vaak. De kinderen verstaan haar niet en andersom net zo. Maar Van Leer blijft optimistisch. “De eerste week konden ze nog geen twee tellen op hun stoel zitten, nu lukt het soms al vijf minuten.”
Behalve met taal- en sociale problemen, worstelen de leerkrachten ook met een tekort aan lesmateriaal. Hier wil de Nederlandse Stichting Kayana iets aan doen. En dus heeft ze de laatste jaren veel materiaal gestuurd: lees- en leerboeken, spelletjes, drie televisies met dvd-speler. Zelfs de tandenborstels en de tandpasta voor het dagelijkse poetsritueel in de rivier zijn een Nederlandse gift.
Het resultaat van de Nederlandse betrokkenheid is vooral goed te zien wanneer de school in Kayana wordt vergeleken met die in het dorp Djumu, drie uur varen richting Paramaribo. De basisschool daar telt vier leerkrachten op 175 leerlingen. De klassen zijn overvol. Het gebouw, net als in Kayana bestaand uit vier lokalen, is kaal en verwaarloosd. De kinderen zitten aan verveloze houten bankjes, het gaas voor de ramen is kapot. Er hangen geen posters en er zijn geen boekjes of spelmateriaal, laat staan een televisie, video of computer.
De school in Kayana is de enige school in het binnenland met computers, weet schoolleider Dinge. Door de beperkte capaciteit van de accu van de zonnepanelen (ook een Nederlandse gift) is er alleen niet altijd genoeg stroom om ze langdurig te gebruiken.
De meerwaarde van de Nederlandse hulp gaat verder dan materiële verbeteringen. “Ik leer heel veel van de Nederlandse leerkrachten”, zegt Dinge, die dit jaar de tweede klas (groep 4) onder zijn hoede heeft. “Mijn Nederlands is erg verbeterd en mijn manier van lesgeven is ook veranderd.” Vroeger bewaarde hij de orde vooral met schreeuwen en slaan, zoals dat overal in Suriname nog steeds gebeurt. Nu hangen er regels op de lokaaldeuren die leerkrachten en leerlingen gebieden respectvol met elkaar om te gaan en loopt Dinge fluisterend door een stille, werkende klas.

Kleuterhut
Een andere, heel zichtbare, verbetering is de kleuterhut naast de school. Anja Blom, november 2004 staat er op het bordje dat boven een gazen deur hangt als dank aan de Nederlandse leerkracht die twee jaar geleden het kleuteronderwijs opzette. Nu begeleid juf Marion de kleuters. De kleuterleidster komt uit het dorp en is door Blom opgeleid. Hoewel ze goed bevalt, heeft de leidster geen dienstverband omdat ze geen diploma’s heeft. Juf Marion wordt door het schoolbestuur ‘gedoogd’ als vrijwilliger. Helga Stortelder, de eerste Nederlandse die op de Kayana-school kwam helpen, betaalt samen met Blom haar salaris.
Dinge zucht eens diep als dat ter sprake komt. “Zonder Nederlandse hulp had ik de school allang moeten sluiten.” Hij moet dan ook niets weten van kritiek op ‘de Hollandse invasie’. Uiteindelijk ziet iedereen in Kayana natuurlijk het liefst goed opgeleide Surinaamse leerkrachten voor de klas staan, bij voorkeur Saramaccaners. Maar jaren van tevergeefs vragen om leerkrachten en materiaal, stemmen Dinge bitter over de inzet vanuit Paramaribo. “Wij worden gezien als apen in het bos, die geen onderwijs nodig hebben.”

{kader}
Met dank aan het toerisme
De Nederlandse betrokkenheid begint in oktober 2002. Dan komt Helga Stortelder, medewerker bij de Cito-groep, als toerist in Kayana. Schoolleider Frits Dinge heeft op dat moment twee collega’s, de een drinkt en de ander blowt te veel. Stortelder trekt zich het lot van de school aan. In augustus 2003 keert ze terug om Dinge, die er dan inmiddels alleen voor staat, een jaar te helpen. Rond dezelfde tijd raakt ook Willem van den Berg, een andere Nederlandse toerist, betrokken bij de school. Terug in Nederland richt hij de Stichting Kayana op om materiaal maar vooral leraren voor de school te werven. In het schooljaar 2004/2005 zendt de stichting de eerste leerkracht uit. Jan Ras, Jenny van Leer en Anneke Rietveld zijn de derde lichting bakra’s. In januari krijgen zij versterking van nog een vierde leerkracht uit Nederland.

Meer informatie over de Stichting Kayana is te vinden op www.kayana.nl De stichting is bereikbaar op 078 6732676, ankemalta@planet.nl.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.