• blad nr 1
  • 7-1-2006
  • auteur . Overige 
  • Column

 

Thomas

Thomas was altijd in de rouw. Hij had dat dusdanig gecultiveerd dat hij het even duidelijk uitdroeg als men dat in het Midden Oosten kan, maar dan in stilte. Wanneer hij binnenkwam, kon er een “mneer” af, wat aanzienlijk korter was dan “goedemorgen meneer”. Kwam je hem in de gang tegen, dan zei hij vaak niets, maar hij groette terug met zijn gezichtsuitdrukking. Dat wil zeggen, dat zijn lippen iets optrokken, zodat er een klein begin van een glimlach ontstond. Thomas gebruikte zijn gezichtsspieren niet. Hij had ook nooit zijn ogen helemaal open. Half verscholen onder die oogleden stonden twee donkere ogen.
Hij gebruikte veel van zijn talenten niet. Bovendien maakte hij – wanneer hij zat – minimaal gebruik van de zitting van een stoel. Door zijn rug en benen te strekken, raakten zijn schouderbladen net de bovenkant van de leuning van de stoel, terwijl zijn billen net nog steunden op de voorkant van de zitting. De rest van de stoel was leeg. Zo was Thomas aanwezig in de lessen mode en commercie. Heel soms was Thomas tot werken te bewegen.
Toen ik hem voor het eerst in de klas kreeg, wilde ik weten wat er aan de hand was. Ik had een gesprek met hem onder vier ogen. Hoewel ik tijdens mijn loopbaan toch wel het een en ander gehoord heb, moet ik bekennen dat ik onder de indruk was van zijn verhaal. Maar Thomas koesterde zijn verdriet zodanig dat je hem met geen mogelijkheid een andere kijk op het leven kon geven. Hij koesterde zijn verdriet en liet het zich door niemand afpakken.
Bovendien gebruikte hij het eeuwig als excuus om zijn werk niet af te hebben. Op den duur zorgde dat ervoor dat mijn medeleven begon om te slaan in irritatie. Het bleek mijn collega’s de voorgaande jaren al net zo vergaan te zijn.
Net op tijd werd ons team versterkt met een nieuwe docent mode en commercie. Hij werd Thomas’ mentor toen die overging naar de vierde klas. Door weinig voorkennis gehinderd, begon de docent enthousiast aan Thomas te trekken tot ook hij het opgaf, maar toen had Thomas wel net zijn examen gehaald.
We hebben nooit begrepen waarom hij mode en commercie had gekozen. We herinneren leerlingen er voortdurend aan hoe ze zich moeten gedragen in de winkel. Steeds viel het ons op dat de adviezen die we gaven altijd precies die dingen waren die Thomas niet deed. Eigenlijk was er maar een ding waarbij zijn ogen iets oplichtten: werken met de computer. Daarin was hij goed, wat hij bewees door steeds maar weer op sites te kunnen komen die de systeembeheerders hadden afgesloten. Als we er iets van zeiden, trokken zijn mondhoeken net iets hoger op, zodat een echte glimlach ontstond.

Er komt een jongeman de school binnengelopen, strak in pak. Een open blik, opgeheven hoofd, kortom een keurige verschijning. Thomas! Hij geeft een hand, terwijl hij je aankijkt en vertelt dat hij als computerprogrammeur werkt op een grote luchthaven. Hij besluit zijn verhaal met: “Ik ben blij dat ik mode en commercie heb gedaan, anders had ik mezelf niet zo goed kunnen verkopen”. Opeens heb ik weer veel meer zin in mijn werk en ik trekken mijn mondhoeken ietsje omhoog.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.