• blad nr 1
  • 7-1-2006
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

De inspectie geïnspecteerd 

Inspecteur komt minder vaak langs

De inspectie van het Onderwijs controleert de kwaliteit van de scholen. Maar wie houdt eigenlijk de kwaliteit van de inspecteurs in de gaten? Ruim driehonderd leraren van het AOb-panel die zelf de inspecteur op bezoek kregen, namen de inspectie de maat. Ze gaven de inspecteurs een ‘meer sterk dan zwak’. De meeste inspecteurs gelden als deskundig, een deel moet hoognodig op cursus. Tegelijkertijd verandert er door de nieuwe Wet op het onderwijstoezicht veel. De inspecteur komt minder vaak op school. Leraren, directies en schoolbesturen moeten zelf de kwaliteit in de gaten houden. Een zware opgave.

Vorig najaar barstte in de media een discussie los over de kwaliteit van het voortgezet onderwijs. In de Volkskrant beschreef columnist Martin Sommer het oprukkende nieuwe leren in studiehuis en beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie (bve) als een gevaar voor de kwaliteit. Ook het boek Steeds minder leren – de tragedie van de onderwijshervormingen, dat werd uitgegeven ter gelegenheid van het vijfde lustrum van de Vrienden van het gymnasium, beschreef het huidige voortgezet onderwijs als een slap aftreksel van het oude niveau. Het studiehuis lag onder vuur vanwege alle pedagogische nieuwlichterij. In die hele discussie ontbrak één stem: die van de hoeder van de onderwijskwaliteit, de inspectie van het Onderwijs. Waarom toch?
“In het nieuwe onderwijsverslag in april zullen we het thema uitvoerig behandelen. Wij rapporteren op basis van onderzoek, niet op basis van meningen. Wij zijn geen opinionleader, maar zoeken uit wat er op scholen aan de hand is en wat de resultaten zijn. Dat is onze rol”, verduidelijkt Kete Kervezee, inspecteur-generaal van de inspectie. Toch sluipt er ook alvast een mening door in haar antwoord. “Het gaat ons er om dat ook in het nieuwe leren de basale kennis een uitgangspunt blijft. Daarvoor moet een school gebruik maken van de gevoelige perioden in de ontwikkeling van leerlingen. In die perioden staan kinderen het meeste open om zich iets eigen te maken. Het is niet zonder risico om te optimistisch te denken over het willen leren van leerlingen.”
Wat in het nieuwe onderwijsverslag zeker genoemd zal worden is de onderwijstijd in de bve. Want met de populariteit van het nieuwe leren in die sector, stijgt ook het aantal klachten van ouders over het geringe aantal uren die hun kinderen op het roc doorbrengen.

Op rantsoen
De inspectie van het Onderwijs bewaakt namens de belastingbetaler de kwaliteit van het onderwijs. Hoe de kwaliteitscontroleurs dat doen, is al jaren een onderwerp van felle discussie. Schoolbesturen houden de inspecteur liever op een afstandje – zij zijn immers zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit. Leraren hebben daar veel minder moeite mee, zo blijkt uit het onderzoek van de AOb onder de leden. Die vinden in meerderheid (67 procent) dat juist de inspectie toezicht moet houden en zijn het oneens (62 procent) met de idee dat scholen elkaar moeten beoordelen. En de politiek, de politiek weet het allemaal niet zo precies en waait met alle heersende winden mee.
In 2002 werd de nieuwe Wet op het onderwijstoezicht (wot) ingevoerd. De inspectie zou de output van de scholen meer gaan controleren en het proces wat minder. Want het ging om het uiteindelijke resultaat. Wel zou er steviger worden gecontroleerd, was de gedachte van de toenmalige minister Loek Hermans in de aanloop naar het nieuwe onderwijstoezicht. Meer geld en meer inspecteurs. Het Paarse kabinet vond dat er voor een deugdelijke controle 5,4 miljoen euro extra nodig was, de inspectie mocht vijftig extra inspecteurs werven.
Met de start van het kabinet Balkenende draaide de stemming volledig om. De klacht over een teveel aan regels en verantwoordelijkheid in eigen kring, maakte dat alle inspectiediensten op rantsoen werden gezet. De inspectie van het Onderwijs moest meteen weer inleveren. Nog voordat de extra 5,4 miljoen euro geïncasseerd was, ging er alweer 6,3 miljoen euro af. De Tweede Kamer die eerder enthousiast instemde met de uitbreidingsplannen, was nu even bevlogen over de bezuinigingsronde.
De omslag in het denken past ook naadloos bij het gedachtegoed van Onderwijsminister Maria van der Hoeven. Zij zette het thema governance op de agenda: niet de overheid is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar het schoolbestuur. Een idee dat helemaal past bij het CDA-denken over de autonome school, waar men altijd al moeite had met controle van de overheid. En als die autonome scholen de zaakjes goed op orde hebben, kan de inspectie het houden bij een controle van het kwaliteitsbeleid van schoolbestuurders.
Kervezee is het eens met die nieuwe aanpak. “De idee achter governance is dat je scholen uitdaagt om zelf hun kwaliteitscontrole te doen. Voor scholen is dat ook aantrekkelijk, het versterkt de professionaliteit. Dat heeft consequenties voor de werkwijze van de inspectie en betekent dat je er zelf minder zwaar bovenop moet gaan zitten. Ik kan mij voorstellen dat scholen daar in eerste instantie niet op zitten te wachten: het is natuurlijk voor de korte termijn veel eenvoudiger om het door een inspecteur te laten doen. Wij gaan daarnaast nu maar eenmaal dezelfde vraag stellen voor meerdere inspectiediensten. De scholen werden overvraagd door ons, door de Arbeidsinspectie, financiële controlediensten. De bevragingslast moet lichter.”
De nieuwe aanpak van de inspectie betekent dat de inspecteur minder vaak langskomt en dat er meer onderzoek op afstand wordt gedaan. Op basis van de opbrengstgegevens, digitale vragenlijsten, bestanden over ziekteverzuim en leerlingen- en personeelsverloop worden de scholen gevolgd voor het ‘jaarlijks onderzoek’. Scholen die er op basis van de harde feiten negatief uitspringen, kunnen wel een bezoek van de kwaliteitscontroleurs verwachten.
Maar bij de andere instellingen komt pas later de inspecteur. Het blijft vooralsnog de bedoeling dat eens in de drie (bve) of vier jaar (basis- en voortgezet onderwijs) een uitvoerige doorlichting plaatsvindt. Wel is het aantal items waarop de school wordt beoordeeld fors omlaag gebracht: waren dat er in het basisonderwijs bijvoorbeeld 123, tegenwoordig controleert de inspectie nog maar op 27 indicatoren. Na een aantal pilots wordt deze aanpak nu helemaal doorgevoerd.

Doormodderen
Minder controle, minder inspecteurs. Het heeft natuurlijk binnen de inspectie tot commotie geleid. “Die extra inspecteurs zijn er nooit structureel gekomen en er moest wel een nieuwe wet worden ingevoerd, dan krijg je wel het gevoel dat je dubbel wordt gepakt”, zegt een inspecteur. De beroepsvereniging van inspecteurs schreef ook een brandbrief aan de leiding. Door de toename van overheadkosten en het schrappen van inspecteurs, vreesde de werkvloer dat zij hun controletaak niet goed uit kon oefenen.
De politiek is ook allerminst eenduidig over de rol van de inspectie. Zodra er commotie ontstaat over hogeschool Inholland, wordt in de Tweede Kamer verwacht dat de kwaliteitscontroleurs uitrukken. Verschillende Kamerleden willen dat islamitische scholen onder verscherpt toezicht worden geplaatst. En zodra de Trouw-lijst aantoont dat er scholen zijn die erg wel lang met hun zwakke onderwijs doormodderen, groeit ook in de politiek de roep om intensievere controle en ingrijpen door de overheid.
Een fors dilemma dus. Terwijl het kabinet aanstuurt op afstand tussen bestuur en overheid, blijkt in de praktijk dat politici, onderwijspersoneel en ouders vinden dat de overheid de touwtjes in handen moeten houden. Want als het misgaat, is het toch vaak de minister die in de Tweede Kamer ter verantwoording wordt geroepen.
Op dit moment is het bovendien de vraag of scholen – in alle onderwijssectoren - wel in staat zijn zichzelf te beoordelen. In het laatste Onderwijsverslag concludeert de inspectie bijvoorbeeld kritisch over de roc’s: ‘Het ontbreken van betrouwbare kwantitatieve gegevens staat de uitvoering van good governance nu nog in de weg.’ Wanneer dat wordt getoetst bij hoofdinspecteur Renata Voss is zij optimistisch. “Nu de Bve-raad over benchmarking praat en er een governance-code komt, zie je dat daar wel een impuls van uitgaat voor betere verantwoording.” Het Ziezo-project waarin een groep basisscholen elkaar met visitatieteams beoordelen werd onlangs gekraakt door het SCO-Kohnstamm Instituut. Alle deelnemende schoolleiders vonden het een enig project waar ze veel van geleerd hebben, maar in het project ontbrak een duidelijke verantwoording over doelen en opbrengsten. Bij de inspectie in de Meern voegt coördinerend inspecteur Bep Corporaal toe dat “als vijf tot tien procent van de basisscholen een deugdelijke zelfevaluatie uitvoert, het veel is. Al zie je de situatie verbeteren op plaatsen waar een goed bovenschools management komt.”
Kortom, de idee van meer controle door schoolbesturen zelf, leeft volop, maar de praktijk blijkt een stuk weerbarstiger. Neem het geval van een basisschool in de randstad. Een school met goed opgeleide ouders, daardoor redelijke toetsresultaten, waardoor deze niet snel zal opvallen als ‘risicoschool’ die extra aandacht nodig heeft. Maar in de bovenbouw loopt het uit de hand, directie en personeel staan tegenover elkaar, de onderwijskwaliteit lijdt onder het conflict en gebrek aan aansturing. Ouders en personeel klagen bij het bestuur over de situatie, omdat de kinderen achterstand oplopen. Het bestuur reageert echter traag. Wanneer de ouders de inspectie inschakelen komt er een onderzoek dat de ouders gelijk geeft. Pas na het vernietigende rapport onderneemt het schoolbestuur actie.
“Natuurlijk blijven we echt met voldoende eigen waarnemingen werken, door inspecteurs op scholen te laten rondlopen. De nieuwe aanpak betekent zeker niet alleen een papieren controle”, zegt inspecteur-generaal Kervezee. “Waar het nu om gaat is dat de kwaliteitsverbetering van het onderwijs opgepakt wordt door docenten en schoolleiders. De verschillen per sector zijn inderdaad groot, waar het hoger onderwijs al ver is met kwaliteitscontrole, ligt dat voor het basisonderwijs anders. Maar ik verwacht dat dat een kwestie van tijd is en dat het onderwijs zich in hoog tempo professionaliseert. Wat wel opvalt is dat veel scholen niet erg resultaatgericht kijken, dat ze de opbrengsten te veel als een natuurverschijnsel zien en niet als resultaat van de inspanningen van de school en het team, daarmee onderschatten zij hun eigen bijdrage.”

Kleutertoets
In het AOb-onderzoek naar de waardering van de inspectie zeggen veel panelleden dat de inspectie te sterk kijkt naar de opbrengsten van het onderwijs, de cognitieve resultaten. Kervezee weerspreekt: “Sociale vaardigheden zijn enorm belangrijk. Als wij praten met werkgevers die jongens van het vmbo in huis hebben is dat wat ze zeggen, investeer in sociale vaardigheden. Dat is ook kennis. Maar we moeten er ook voor waken om van de school een sociale werkplaats te maken. Opbrengsten blijven belangrijk.”
Voor Kervezee staat als een paal boven water dat het centraal schriftelijk eindexamen moet blijven, als ijkpunt voor de kwaliteit. Maar ook op andere momenten is toetsen volgens haar gewoon nodig. Aan het einde van de basisschool, maar ook een kleutertoets is voor de inspecteur-generaal niet uitgesloten. “Dan zie je beter welke leerlingen achterblijven en wat je daar mogelijk aan kan doen. En het toetsen van kleuters moet je niet te zwaar opvatten, maar je moet het wel doen. Als jouw kinderen in groep 1 zitten en de leerkracht zegt gewoon na een jaar dat de woordenschat klein is, dan is dat al een oordeel. En die oordelen zijn belangrijk. Ik vind het ook prettig als een jeugdarts naar mijn kinderen kijkt en constateert of het goed met ze gaat. Waarom zouden we in het onderwijs niet mogen beoordelen? Natuurlijk moet je geen kleutertoets afnemen in een gymzaal alsof het een landelijk examen is, maar dat de vooruitgang van kinderen goed wordt bekeken is toch niet meer dan normaal? Te veel kinderen verlaten het basisonderwijs op het niveau van groep 6. Zo sturen we ze met te weinig kennis de maatschappij in.”
Kervezee wil van alle leerlingen weten wat hun resultaten zijn. “Scholen moeten dat ook willen weten. Je spant je als leerkracht immers in om met jouw kinderen iets te bereiken, dan wil je toch ook weten of je het in relatie tot vergelijkbare scholen goed hebt gedaan? Of dat het beter kan? Dan is alleen een eindtoets in groep 8 te laat. De periode tussen groep 2 en 4 is een logisch moment om ook een ijkpunt voor de prestaties te leggen. Dat heeft ook een sociaal psychologisch effect: succes genereert succes. Als je op die leeftijd aan kan sluiten bij het niveau, komen leerlingen verder. Als je niet weet hoe ze presteren en ze doen het niet goed, raken ze ongeïnteresseerd. Dus mijn pleidooi: wees er snel bij. En, laten we eerlijk zijn, op heel veel scholen gebeurt dat al.”

{kader}
Basisschool de Eglantier geïnspecteerd
‘Allemaal prima, maar er worden ook kansen gemist’

“Dit is een goede school, en op veel punten scoren jullie het maximum, een 4. Er zijn nog items waar jullie een 3 halen, daar is verbetering mogelijk, maar daar werkt de school aan.” Applaus voor de inspecteur Martin Uunk als hij zijn positieve oordeel uitspreekt. Misschien wel omdat collega-directeuren tijdens een visitatiebezoek tot een minder vrolijk oordeel kwamen.
De Eglantier in Delft is zo’n typische basisschool in een nieuwbouwwijk uit de jaren zestig. Hoge flats, afgewisseld met rijtjeshuizen en dan een school in wat ooit een semi-permanent noodgebouw heette, maar inmiddels al ruim dertig jaar in gebruik is. Een school met veel jonge leerkrachten, een stevig management en een gemengde schoolbevolking.
De school krijgt vervroegd bezoek van de inspectie, omdat dat nu eenmaal zo afgesproken is in het Ziezo-project, waarin een groep basisscholen elkaar met visitatieteams beoordeelde. Over dat oordeel was het team heel wat minder te spreken, omdat ze als ouderwets en weinig kwaliteitsbewust werden weggezet. “We herkenden ons er niet in.” De Eglantier streeft ernaar de lessen interactiever te maken. Maar de visiterende schoolhoofden zagen daar geen duidelijke lijn in en vroegen zich af of het team wel hetzelfde einddoel voor ogen had. Ook zou de directeur van de Eglantier niet genoeg sturen en reageerde het team defensief. Eén lerares kan er nog kwaad om worden. “De directeur is heel intensief bezig met het team, komt vaak in de lessen.”
In het kader van het project komt Martin Uunk nu kijken hoe het oordeel van de basisschooldirecteuren zich verhoudt tot dat van de inspectie. Hij stapt bij de kleutergroepen binnen, vlooit de klassenmap door, heeft een scoreformulier op schoot, observeert en zuigt het hele onderwijsproces naar binnen. De van oorsprong traditionele school probeert de lessen interactiever te maken en wil weten of ze daar in slagen.
Soms fluistert hij een tussenoordeel. “Allemaal prima: veilig, gestructureerd, goede basishouding, maar er worden af en toe kansen gemist om leerlingen meer uit te dagen.” Hij is onder de indruk van het leerlingvolgsysteem dat goed wordt bijgehouden “dat zie je zelden.”
Hij kent de gebruikte methoden, werkte 25 jaar zelf in het onderwijs, onder meer als leerlingbegeleider en psycholoog. Uunk brengt de mix van lovende woorden en kritiek rustig over. “Er is nog een wereld te winnen.” Hij prijst de zorgvuldige overdracht van leerlingen uit groep 2 naar groep 3, maar ontdekt een mancootje. “Waarom doen jullie geen taaltoets meer bij de kleuters?” Het antwoord komt snel: de school deed een toets waar ook taal inzat en heeft die vervangen door een ruimte/tijdtoets waardoor taal er onvermoed uit is gevallen. Alles bij elkaar is Uunk tevreden over de school. Een school die misschien wat traditionele kantjes kent, maar weet wat de sterke en zwakke punten zijn. “En op die punten aan verbetering werkt.”
Directeur Marten Pool kan nu de aanpak van de inspectie en het visitatieteam vanuit het onderwijs zelf vergelijken. “Collega schoolleiders kijken toch gekleurd vanuit hun eigen school en visie naar de jouwe, daar leer je van, maar voor het oordeel over de kwaliteit zijn hun ervaringen te beperkt. De kwaliteit van inspecteurs is uitstekend en ik word iedere keer verrast hoe groot de dossierkennis is. De inspectie is gewoon nodig. Natuurlijk moeten scholen vertrouwen van de overheid krijgen, maar controle door die overheid is nodig.” Pool heeft op zijn beurt wel weer commentaar op de aanpak van de inspectie. “Het rapport is correct hoor, maar wat je wel altijd ziet is dat het nooit goed genoeg is. Dat komt dan hard aan bij leerkrachten. Ik denk dan, pas op dat het betere de vijand wordt van het goede.”

{kader}
Inspectie is opener, maar nog niet open genoeg
AOb zet normen primair onderwijs op site

Een jaar of tien geleden hield de inspectie het liefst alles geheim. Rapporten over scholen, doorstroomgegevens, klachten. De omslag kwam nadat Trouw met succes bij de rechter de schoolprestaties van het voortgezet onderwijs opvroeg. Vanaf dat moment zet de inspectie razendsnel de schoolrapporten op internet.
Minder open is de inspectie over de normen waarmee ze scholen de maat neemt, terwijl ze wel veel oordelen uitspreekt. Over het aantal kleuters dat een jaar extra in groep 2 blijft of over de opbrengsten in groep 8. Wel is het algemene toetsingskader openbaar, maar dus niet de exacte eisen waarmee de inspecteurs de school langslopen. “Op verzoek kunnen scholen die krijgen, maar we gaan ze niet zelf uitdelen.” Vreemd toch, dat scholen de meetlat waarlangs ze gelegd worden niet kennen? Na veel zeuren heeft het Onderwijsblad voor het primair onderwijs die eisen gekregen. Het gaat ten eerste om de beoordeling van de opbrengsten.
Het stuk van de inspectie is weliswaar een stuk van voor de nieuwe Wet op het onderwijstoezicht (wot), maar het is de verwachting dat de eisen niet veranderen. Recenter is de lijst met indicatoren en eisen voor het schoolbezoek, dat onder de invloed van de wot nog wel wordt aangepast. Beide documenten staan vanaf heden op de website www.aob.nl en geven zicht in hoe de inspectie controleert.
“Het grote probleem van deze normen is dat de inspectie scholen de maat neemt en zo het personeel volledig verantwoordelijk maakt voor de onderwijskwaliteit in de rapporten die ze publiceert”, zegt Walter Dresscher, voorzitter van de AOb. “Terwijl vergeten wordt dat die kwaliteit ook in hoge mate afhangt van wat het kabinet en de gemeenten over hebben voor onderwijs. Zo rekent de inspectie personeel af, terwijl de overheid niet genoeg geld uittrekt voor kwalitatief goed onderwijs.”
Wel is hij iets enthousiaster over de nieuwe aanpak, waar de professionals zelf meer grip krijgen op de kwaliteitscontrole. Voorwaarde voor de AOb is wel dat scholen ook de mogelijkheden krijgen om zo’n arbeidsintensieve kwaliteitscontrole uit te voeren. Tijd en geld dus. “En om de invloed van de praktijk op het inspectiewerk te vergroten, kan ik mij voorstellen dat er vanuit de scholen parttime inspecteurs worden aangesteld. Zo kan er een dubbelslag plaatsvinden. Dat maakt de baan van leraar afwisselender en geeft de inspectie permanent input van kennis hoe het er echt op school aan toegaat.”

De inspectie geïnspecteerd

Kwaliteitskaart inspectie van het Onderwijs

Begin 2005 beoordeelden 354 leraren uit basis- en voortgezet onderwijs en de bve in het AOb-panel de kwaliteit van het werk van de inspectie. Alle deelnemers hadden zelf een inspectiebezoek meegemaakt.

[al deze oordelen in vierpuntsschaal, die eerst uitgelegd wordt, vergelijk met website inspectie, maar wel leuker opmaken]

verklaring tekens:

0000

0=overwegend zwak
00=meer zwak dan sterk
000= meer sterk dan zwak
0000= overwegend sterk

Deskundigheid inspecteur
3 bolletjes

Aanpak inspecteur
3 bolletjes

Eisen van de inspectie
3 bolletjes

Conclusies inspectie over onze school
3 bolletjes

Relevantie eisen inspectie
3 bolletjes

Eindoordeel over onze school
3 bolletjes

Dan wat andere grafieken:
{taartpunten}
Is het oordeel van de inspectie op school besproken:
ja 74%
nee 26%

Meningen over inspectie:

Is kwaliteitscontrole door inspectie nodig?
Ja, belastingbetaler heeft er recht op
67% eens
20% neutraal
13% oneens

Scholen kunnen veel beter elkaar beoordelen
Oneens 62%
Neutraal 22%
Eens 13%

De resultaten van de inspectierapporten moeten openbaar zijn
Eens 79%
Oneens 21%

De inspectie moet ouders waarschuwen van scholen die zwak presteren
Nee 60%
Ja 40%

De inspectie moet ingrijpen bij zwakke scholen
Ja, taak wetgever 76%
Nee, bestuur blijft verantwoordelijk 24%

{logootje} De inspectie geïnspecteerd

[als een soort rapport]
De kwaliteit van de Inspectie van het Onderwijs

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

Het werk van de inspectie wordt door het onderwijspersoneel goed gewaardeerd. Over de taak van de inspectie van het Onderwijs bestaat nauwelijks discussie: de overgrote meerderheid vindt controle door een derde partij op de onderwijskwaliteit nuttig en nodig. ‘Het helpt je bij reflectie op het onderwijsproces. Ook veel ervaren leerkrachten worden weer wakker geschud.’ Een flink deel, meer dan driekwart, vindt bovendien dat de inspectie bij slecht presterende scholen moet ingrijpen, terwijl formeel in eerste instantie het schoolbestuur zijn verantwoordelijkheid moet nemen. De openbaarheid van schoolrapporten is geen item meer. Een paar jaar geleden was daar nog veel discussie over, nu is dat een geaccepteerd verschijnsel. Opvallend is wel dat de meerderheid niet vindt dat ouders actief gewaarschuwd moeten worden als er een zwakke school wordt gevonden. ‘Daar komen de ouders toch wel achter’, is de overheersende mening.
Als het gaat om de kwaliteit van de inspecteurs scoort de inspectie op alle indicatoren ‘meer sterk dan zwak’. Een redelijk resultaat, de inspectie moet met dat oordeel echter niet tevreden zijn. Uit de rapportages blijkt duidelijk dat het kwaliteitsverschil tussen verschillende inspecteurs groot is. De meest voorkomende trefwoorden zijn degelijk en deskundig. ‘Zij bereiden zich buitengewoon goed voor en bekijken alle aspecten van de school deskundig.’ Maar er is een te hoog aantal missers. ‘Onze inspecteur was een hooghartig tiep, dat nimmer voor de klas had gestaan en in taalgebruik, bodylanguage en kleding de minzaamheid uitstraalde van ‘de koningin op bezoek’. Wil de inspectie vooruitgang boeken dan moet veel worden geïnvesteerd in de deskundigheid en aanpak van de inspecteurs.
Daarnaast bestaat veel onduidelijkheid over de normen die de inspectie hanteert: hoe komt men tot de scores en welke elementen zijn van belang bij de rendementsberekeningen. Daarover zou de inspectie opener kunnen zijn. De indruk bij onderwijspersoneel bestaat dat vooral cognitieve doelen meetellen. Zij vinden dat de inspectie meer aandacht aan andere onderwijsdoelen – zoals bijvoorbeeld sociale vaardigheden en burgerschap – moet schenken.

Aanbevelingen:
• De inspectie moet investeren in de kwaliteit van de inspecteurs, hun deskundigheid bepaalt de acceptatiegraad van de schoolbezoeken en oordelen. In ongeveer eenderde van de gevallen is de kwaliteit matig of slecht.
• De inspectie moet opener zijn over de gehanteerde criteria, opbrengsteisen en rendementsnormen. Deze gegevens worden niet actief verspreid maar zijn tot nu toe alleen op verzoek voor scholen beschikbaar.
• De inspectie moet naast de cognitieve opbrengsten meer aandacht geven aan de bijdrage van het onderwijs voor andere vaardigheden.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.