• blad nr 21
  • 3-12-2005
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

Reken- en taaltoets worden moeilijker 

Petje af voor de pabo

‘De pabo is te makkelijk’, horen we met enige regelmaat in de pers. Journalist Rob Voorwinden wilde wel eens weten hoe makkelijk, meldde zich voor de reken- en taaltoets van de Utrechtse Marnix Academie en zakte als een baksteen. Met het schaamrood op de kaken maakt hij de balans op. ‘Dit valt best wel tegen.’

Mijn eerste reactie was: dit kan niet waar zijn. Een journalist die al ruim twintig jaar elke dag artikelen schrijft, haalt slechts vijfentachtig procent goede antwoorden op een taaltoets waarvoor pabo-studenten honderd procent moeten scoren? Nog maar eens maken dan. Opnieuw het computerprogramma opgestart. De vragen klikken voorbij. Welk woord is goed? Chemicaliën, bureaus, babys, paardenbloem, industriëen, gesleelerd, gecoacht, oxyderen, Zuidoost-Groningen, steekeblind, dioxyde, electriciteit? En vergisten of vergistten de jongens zich in de route bij de avondvierdaagse? En bloed of bloedt de wond? Tien minuten later volgt de nieuwe score. Nu honderd procent? Welnee, achtentachtig. Fok.
Dan de rekentoets: die moet toch ook een makkie zijn voor iemand die vwo heeft gedaan met wiskunde in zijn examenpakket. Goed, we hebben het over vijfentwintig jaar geleden, we hebben het over een mager vijfje na kapitalen aan bijles maar toch: we hebben het over vwo wiskunde. Wat op de pabo goed blijkt te zijn voor precies dezelfde onvoldoende als weleer: een vijf. Nogmaals fok.
Caroliene van Waveren, docent rekenen-wiskunde op de Marnix Academie, verzacht de afgang. Want een gedeelte van de toets draait om ‘schattend rekenen’ en dat heeft iemand die vijfentwintig jaar geleden zijn diploma haalde nooit gehad. De eerste methoden realistisch rekenen, waar schattend rekenen onderdeel van uitmaakt, verschenen begin jaren negentig.
En verder hebben veel van de huidige pabo-studenten toch ook nog moeite met dit onderwerp, weet Van Waveren. “Mensen rekenen dingen liever precies uit, ook al kost dat veel meer moeite dan schatten. Als je wilt weten hoeveel kaas je ongeveer per jaar eet, rekent 365 dagen wat lastig: dat kan je makkelijk afronden op 350. Maar ja, dat durven mensen vaak niet, omdat ze bang zijn om er te veel naast te zitten.”
Ook het ‘handig rekenen’ heeft iemand die vijfentwintig jaar geleden afstudeerde niet echt gehad op school. Daarbij gaat het om rekenen waarbij je gebruik maakt van eigenschappen van getallen. Wie twee getallen met decimalen achter de komma uit z’n hoofd van elkaar wil aftrekken, kan beter één getal eerst mooi rond maken. 35,1 min 24,6 geeft immers hetzelfde antwoord als 35 min 24,5. “Gewoon proberen”, adviseert Van Waveren. “Durf maar eens wat.” Al met al heeft de journalist, vindt Van Waveren, helemaal nog niet zo’n slechte toets gemaakt. “Wat dingen bijspijkeren en je hebt een aardige basis om voor de klas te kunnen.”

Opperste waakzaamheid
Dat zou ook kunnen gelden voor de taaltoets, al voelt het zakken in dit geval – zeker voor een schrijver - vele malen beschamender. De reden is simpel: de journalist vertrouwt al twintig jaar op het Groene Boekje, ofwel de onvolprezen Woordenlijst Nederlandse Taal – altijd onder handbereik op het bureau, ook voor al uw werkwoordsvervoegingen.
En als uiterste achtervang is er altijd nog de spellingcontrole op de computer, die ook niet te beroerd is om zelf suggesties voor alternatieve woorden te doen. Al blijft daarbij opperste waakzaamheid geboden. Zo veranderde de kop ‘Speciaal examen voor slachtoffers Volendam’ door een verkeerde muisklik eens in de kop ‘Speciaal examen voor slachtoffers Kolendamp’. Gelukkig ontdekte de eindredactie het bijtijds (bedankt Daniëlla, voor altijd bij je in het krijt).
Ook bij de taaltoets is de journalist niet de enige die moeite heeft met de opgaven. “Veel studenten halen de taaltoets niet in een keer”, zegt Martin Hunziker, docent Nederlands aan de Marnix Academie. Menig student heeft meerdere pogingen nodig – soms wel twaalf, en dat is ook weer niet de bedoeling. Hunziker: “Je moet na elke toets wel oefeningen doen. Als je net zo lang blijft gokken totdat je een keertje slaagt, loop je toch in een later stadium tegen problemen aan. Als je iets moet uitleggen in groep 8 bijvoorbeeld. Dan sta je mooi te kijken.”
Ook met de rekentoets hebben veel studenten het moeilijk. En dat komt volgens docent Van Waveren doordat veel studenten geen wiskunde in hun pakket hebben gehad. “Wij trekken weinig exact ingestelde studenten. Daar zitten ook mensen tussen die slechte ervaringen met rekenen hebben opgedaan op de middelbare school. Die voor het bord moesten komen terwijl de meester wist dat ze een som niet konden oplossen. Veel leerkrachten in het voortgezet onderwijs vinden ook dat er maar een manier is om een som op te lossen, terwijl er juist vaak verschillende manieren zijn.”
Hoewel de studenten de toetsen voor rekenen en taal vaak niet in een keer halen, krijgen er toch weinigen op deze gronden een negatief bindend studieadvies. Want vaak lukt het in de herkansingen wel - zij het in het tweede jaar of erger als uitstelgedrag en struisvogelpolitiek hand in hand gaan.

Bijspijkeren
Voor studenten die gokken op de herkansingen is er nu slecht nieuws, want de pabo’s worden strenger. Tot nu toe hanteren de meeste pabo’s eigen toetsen op het gebied van rekenen en taal. Minister Maria van der Hoeven wil daar graag eenheid in brengen, zodat alle studenten overal dezelfde toetsen maken en dezelfde scores moeten behalen - wie zakt, krijgt een negatief bindend studieadvies.
Directeur Karel Aardse van de Marnix Academie zit er niet echt op te wachten. “Wij hebben de reken- en taaltoetsen zelf al goed geregeld.” Maar wat moet, dat moet. En Aardse verwacht dat de pabo er moeilijker door zal worden. “De studenten zullen er wel harder door gaan werken.”
Dat is niet per se negatief, maar Aardse vraagt zich, net als zijn docenten, wel af hoeveel moeite er van de pabo verwacht mag worden. Want tot nu toe spijkeren de studenten zich veelal op eigen kracht bij: met diagnostische toets en veel zelfstudie lukt het nu nog vaak wel om de reken- en taalvaardigheden op peil te brengen. “Wij helpen daar zelf nog niet al te veel bij”, zegt docent Hunziker. “Maar daar is nu wel discussie over. Hoe ver gaat de eigen verantwoordelijkheid van de student? Moeten we lessen gaan geven in bijvoorbeeld werkwoordspelling? Dat hadden ze in de tweede klas havo al moeten hebben. Wij hebben het hier trouwens ook liever over didactiek dan dat we tijd besteden aan iets wat de studenten al hadden moeten kunnen. Aan de andere kant zitten we in een vicieuze cirkel: als onze studenten hun leerlingen niet goed genoeg rekenen en taal aanleren, krijgen wij later ook weer slechte instroom binnen.”
De angst van directeur Aardse is dat de pabo’s door strengere landelijke normen studenten gaan verspelen die misschien niet direct een ster zijn in rekenen en taal, maar wel veel pedagogisch-didactische kwaliteit in huis hebben. Studenten die gewoon een jaartje langer nodig hebben om hun taal en rekenen op goed niveau te krijgen, maar verder briljant met kinderen omgaan.
Want wat is nu belangrijker, vindt docent Hunziker, dat je meteen weet of je paardebloem of paardenbloem moet schrijven, of dat je mooie, verantwoorde lessen kunt geven waarin dertig kinderen ook nog wat leren. Dat laatste, dus eigenlijk. Anders zou je, met wat bijspijkeren, net zo goed een journalist voor de klas kunnen zetten.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.