• blad nr 21
  • 3-12-2005
  • auteur A. Kersten 
  • Redactioneel

 

Topbestuurders mogen niet meer verdienen dan minister

Minister van Onderwijs Van der Hoeven vindt de inkomensontwikkeling van topfunctionarissen in het hoger onderwijs ongewenst. Dat schrijft ze in een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van publicaties in het Onderwijsblad.

De minister vindt dat topinkomens op individueel niveau openbaar gemaakt moeten worden. In lijn met het kabinetsbeleid wil ze bovendien een 'bezoldigingskader' opgesteld zien, waarbij topbestuurders niet meer verdienen dan een minister. Daarnaast constateert zij dat variabele toelagen, zoals prestatiebonussen, wettelijk alleen mogen worden toegekend bij een aanstelling van maximaal vier jaar. Van der Hoeven wil dat de Hbo-raad nagaat hoe die regel wordt nageleefd.
Het beeld, zoals dat begin oktober naar voren kwam uit cijfers van het Onderwijsblad, stemt volgens de minister in grote lijnen overeen met eerder onderzoek. Zij verwijst daarbij naar een jaarlijks onderzoek naar topinkomens in de collectieve sector in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In dat overzicht ligt het gemiddeld jaarinkomen van hbo-topfunctionarissen in 2004 rond de 107 duizend euro.
De cijfers van Binnenlandse Zaken roepen overigens wel een paar vragen op. Het overzicht laat opmerkelijk genoeg tussen 2003 en 2004 een daling zien bij de inkomens van hbo en bve, waar ze bij de universiteiten stijgen. Flinke schommelingen in deelname aan de vrijwillige enquête kunnen volgens de minister daaraan hebben bijgedragen. Het Onderwijsblad baseerde zich op de bestuursvergoedingen van alle hogescholen over twee jaar.
De cijfers die Van der Hoeven aanhaalt, wijzen er ook op dat het kabinet al jaren wist dat in de sector universiteiten en onderzoeksinstellingen de meeste bestuurders meer verdienen dan de ministersmaatstaf van 130-duizend euro. Het gemiddelde jaarinkomen lag daar vorig jaar in de enquête van BZ vijfduizend euro boven. Het percentage universitaire topfunctionarissen met een hoger inkomen dan een minister lag in 2002 op 54 procent en in 2004 op 59 procent.
Die jaarsalarissen zijn exclusief pensioen- en werkgeverslasten. In het AOb-overzicht zijn die wel meegenomen bij de bezoldiging, omdat de jaarrekeningen alleen dat bedrag vermelden en de reële salarissen tot nu toe niet openbaar zijn. Volgens de minister ligt het brutosalaris 35 procent lager dan de totale bestuurskosten die jaarrekeningen vermelden; het Onderwijsblad gaat uit van twintig tot dertig procent.
Verder mogen volgens de minister prestatiebonussen niet gerekend worden tot de loonontwikkeling. Feit is echter dat door incidentele beloningen het afgesproken salarisplafond fors wordt overschreden.
De Hbo-raad is de minister tegemoetgekomen wat de openbaarheid van inkomens betreft. Begin november heeft de raad een branchecode gepubliceerd die collegebestuurders verplicht hun individuele bezoldiging openbaar te maken. Over variabele toelages wordt in de code niets vastgelegd, daarover volgt een onderzoek van een nieuw op te richten platform van toezichthouders. Het onderzoek zou volgend jaar zomer op tafel moeten liggen.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.