- blad nr 15
- 10-9-2005
- auteur . Overige
- Het juridisch probleem
Overplaatsing
De cao’s voor primair- en voortgezet onderwijs bieden de werkgever de mogelijkheid om een werknemer zonder zijn instemming over te plaatsen. Dan moet er wel sprake zijn van een conflictsituatie waarbij overplaatsing noodzakelijk is om tot werkbare verhoudingen te komen. Onvrijwillige overplaatsing is een laatste stap. De werkgever moet eerst onderzoeken of het mogelijk is om de verhouding tussen de werknemers te herstellen. Bijvoorbeeld door middel van gesprekken en mediation.
Levert dit niets op en is de werkgever van plan om de werknemer over te plaatsen, dan moet de werkgever eerst in overleg gaan met de werknemer. Tijdens dat overleg moeten bijvoorbeeld de nieuwe werkplek en de compensatie van reistijd en –kosten besproken worden.
Als werkgever en werknemer het niet eens worden, kan de werkgever besluiten tot gedwongen overplaatsing. Tegen dit besluit kan de werknemer in beroep bij de commissie van beroep (bijzonder onderwijs) dan wel bezwaar aantekenen (openbaar onderwijs). Tijdens het beroep wordt beoordeeld of de werkgever in redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. De belangen van werkgever en werknemer worden afgewogen. Wat de aanleiding was voor het conflict en wie daarin gelijk heeft, speelt in die belangenafweging een ondergeschikte rol.
De cao voor de bve kent geen vergelijkbare bepaling. Maar op basis van de verplichting tot goed werkgeverschap mag van de bve-werkgever een overeenkomstige handelwijze worden verwacht. Een bve-werknemer kan tegen een besluit tot overplaatsing in beroep gaan bij de Commissie van Beroep.
In tegenstelling tot de andere sectoren wordt overplaatsing in de cao-hbo wel genoemd als een disciplinaire maatregel. Daartegen kan de werknemer in beroep gaan bij de Commissie van Beroep. Als de werkgever de overplaatsing niet aanmerkt als een disciplinaire maatregel, kan de kwestie aan de rechter worden voorgelegd.