- blad nr 15
- 10-9-2005
- auteur E.. Prins
- Redactioneel
Overblijf een geïmproviseerd rommeltje
Maandagochtend twaalf uur. Op de St. Michaëlschool in De Bilt hebben Karin en Marjan 29 kleuters onder hun hoede. In een van de leslokalen van groep 1 hebben ze de kringsamenstelling veranderd en de tafeltjes in groepjes bij elkaar gezet. Daar eten de kinderen hun meegebrachte boterhammen. Marjan vult ondertussen de presentielijsten in. De deur van het lokaal staat open. Kinderen lopen in en ook de leerkracht komt even binnen om wat spullen te pakken. “Normaal zitten we in een apart lokaal”, zegt Karin. “Maar die is nu in gebruik voor een musical.”
Improvisatie is volgens Rineke van Daalen een belangrijk kenmerk van het overblijven. Een puinhoop wil ze het niet noemen. “Maar ongeregeld is het wel en daarom ontaardt het op veel plaatsen in een zootje.”
Van Daalen, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, werkte een jaar lang als overblijfkracht op drie verschillende scholen in Amsterdam. Daar viel ze van de ene verbazing in de andere. “Ik trof binnen de scholen een heel informeel bedrijf dat anderhalf uur per dag operatief is. De overblijfkrachten - vrijwel allemaal vrouwen - deden hun werk naar eigen goeddunken, verzorgden zelf de administratie en op een school kochten ze zelfs het speelgoed en het appelsap voor de kinderen en wasten ze thuis de theedoeken.”
In haar boek Overgebleven Werk noemt Van Daalen de tussenschoolse opvang (tso) een los eindje van de verzorgingsstaat. “Het hoort nergens bij, niet bij school en niet bij de kinderopvang.”
De organisatie - of beter: het gebrek aan organisatie - van overblijven is achterhaald en nodig aan herziening toe, luidt haar stelling. Het is namelijk nog gebaseerd op hoe het er in de jaren zeventig aan toe ging. Moeders die om beurten tussen de middag op elkaars kinderen pasten, zodat ze zelf buitenshuis konden werken. Maar ondertussen is de maatschappij drastisch veranderd. Er komen steeds meer kinderen die overblijven en alsmaar minder moeders die kunnen of willen oppassen.
Ongeveer een half miljoen kinderen blijft dagelijks over, van wie de helft drie keer per week of vaker. Meer dan 70 duizend mensen werken als overblijfkracht en ouders betalen op jaarbasis ongeveer 70 miljoen euro voor overblijven, becijfert Van Daalen in haar boek. “Maar ondanks deze enorme bedragen is het nog altijd een informeel en ongeregeld arrangement, gebaseerd op moeder thuis bij de theepot.”
Zwartwerken
Ook op de arbeidsmarkt zit de overblijf in een grijs gebied. Zo wordt de arbeid eigenlijk niet beschouwd als echt werk. Er zijn geen opleidingseisen. Overblijfmoeders worden aangeduid als vrijwilliger en ontvangen een vrijwilligersvergoeding van netto tussen de zes en tien euro per uur. Maar wie meerdere keren per week werkt, verdient al snel meer dan de maximaal toegestane vrijwilligersvergoeding van 730 euro per jaar. De ‘vrijwilligers’ werken dus vaak zwart. Vandaar dat de overblijfmoeders van de St. Michaëlschool ook niet met hun echte naam genoemd willen worden of herkenbaar op de foto willen.
De anderhalf uur middagpauze op de St. Michaëlschool verloopt deze maandagochtend weinig gestructureerd, maar wel redelijk rustig. Zo had Karin de kleuters opgedragen na het eten bij de gangdeur te wachten, maar velen zijn op eigen houtje naar het schoolplein vetrokken. Er wordt niets van gezegd.
“Het is een wankel evenwicht”, zegt Irene Hemels, moeder van drie kinderen op de St. Michaëlschool en tot voor de zomervakantie een van de twee overblijfcoördinatoren. “Het gaat niet slecht, maar het kan veel beter.” Vooral het gebrek aan structuur en het feit dat veel overblijfmoeders zwart betaald moeten worden, ervaart ze als knelpunten. Daarnaast is de bezetting krap en zijn nieuwe mensen moeilijk te vinden. Ook zou ze graag zien dat de overblijfkrachten beter geschoold waren om dit werk te doen. “Maar zolang er geen arbeidsovereenkomst en dus geen gezagsrelatie is, kan je weinig eisen stellen.”
Vrouwtje
De overblijfkrachten op het schoolplein klagen ondertussen vooral over de geringe betrokkenheid van de school. “Of je nou met dertig of met vijftig kinderen zit, het interesseert ze nauwelijks.”
Dat moet veranderen als, vanaf het schooljaar 2006/2007, niet langer de ouders, maar de schoolbesturen verantwoordelijk worden voor de overblijf. Vrijwel alle betrokkenen vinden deze wetswijziging een verbetering. Het schept meer duidelijkheid en het zal de overblijf ten goede komen, is de algemene verwachting. “Als je als schoolbestuur verantwoordelijk bent, wil je niet dat het een rommeltje is”, zegt Ria Meijvogel, directeur van het Instituut voor de Ontwikkeling van Schoolkinderopvang (IOS).
“Maar”, zegt ze, “een garantie voor kwaliteitsverbetering is de wet helaas niet.” Over kwaliteit is immers niets geregeld. “Een gemiste kans”, oordeelt Meijvogel. Zo had ze graag gezien dat er bijvoorbeeld een richtlijn over de verhouding leidster-kind in de wet was opgenomen.
Het IOS hamert al jaren op professionalisering van de tso en schoolde de afgelopen jaren honderden overblijfkrachten met korte cursussen of in een eenjarige opleiding. Het is volgens Meijvogel een grote misvatting dat iedereen wel een uurtje op kan passen. “De scholing is voor scholen gratis. Toch hoor ik elk jaar nog zeker een paar keer ‘dat heeft zo’n vrouwtje toch niet nodig’. Alsof je iedereen zomaar voor een groep met dertig kinderen kan zetten.”
De komst van steeds meer geschoolde overblijfkrachten is goed te merken, vindt ze. Zo zijn op veel scholen de afgelopen jaren initiatieven ontplooit om overblijven te verbeteren. Maar de professionalisering beperkt zich nog vooral tot de coördinatoren, weet ze. Zij zijn steeds vaker opgeleide en betaalde krachten. Het merendeel van de opvang blijft echter vrijwilligerswerk en daar zal ook door de wetswijziging niet veel aan veranderen. Daarvoor ontbreekt het geld en de menskracht.
Kippenhok
“Het grote probleem blijft: Wie wil en kan het doen?” Alain Bains, bovenschools directeur van drie openbare basisscholen in Diemen, zucht eens diep. In zijn bestuur wordt ‘druk nagedacht’ over een reorganisatie van de overblijf. Bains weet dat het tussen de middag af en toe een rommeltje is en dat er zwartgewerkt wordt. Dat moet straks anders.
“Je komt al snel boven die vrijwilligersvergoeding uit en laat je overblijfkrachten minder vaak werken, dan heb je een kippenhok aan mensen nodig en die zijn in deze regio niet te vinden”, vertelt hij. “Mensen die willen, uitkeringsgerechtigden, mogen niet en mensen die mogen, zijn er niet of willen niet en dan heb ik het nog niets over kwaliteit.”
Bains dilemma is ook herkenbaar voor de St. Michaëlschool, zegt voormalig overblijfcoördinator Hemels. Haar ideaal is een ‘gewone’ arbeidsovereenkomst tussen school en overblijfkrachten. Maar de vraag is of de school dat wil en kan en of de overblijfkrachten dat willen. Die zijn vaak huiverig voor een dienstverband uit angst daar netto minder aan over te houden, weet ze.
Hemels vindt de wetswijziging een eerste stap in de goede richting. “Als schooldirectie heb je toch meer gezag dan van ouder tot ouder.” Maar een oplossing voor de knelpunten is het niet. “Het verlegt de verantwoordelijkheid, maar levert niet de middelen en mogelijkheden om het echt goed te regelen”, zegt Alain Bains.
Die kritiek wordt breed gedeeld. Voor veel mensen is het ideaalplaatje dat de tso wordt uitgevoerd door professionele, betaalde krachten met een financiering waarbij niet alleen ouders, maar ook werkgevers en overheid mee betalen. Maar nu de opvang, ondanks een flinke lobby van onder andere het IOS en de AOb, buiten de dit jaar ingevoerde Wet Kinderopvang is gebleven, lijkt dat ideaal verder weg dan ooit.
De Vereniging Openbaar Onderwijs stelt dat die professionalisering de overheid 214 miljoen euro per jaar zou kosten. Dat staat in schril contrast met de 14 miljoen die er van 2006 tot en met 2008 voor de invoering van de wetswijziging (8 miljoen) en de na- en bijscholing (6 miljoen) is uitgetrokken en de 9 miljoen voor elk jaar daarna (in de lumpsum). Een geldkwestie dus. En een politieke keuze.
{kader}
Oplossingen
Vooruitlopend op de wet die schoolbesturen verantwoordelijk maakt voor de tussenschoolse opvang of ‘gedwongen’ door een onhoudbare situatie, hebben veel scholen de afgelopen jaren initiatieven genomen om de overblijf te verbeteren. Drie voorbeelden:
Opvangkrachten
Een aantal scholen heeft de overblijf uit handen gegeven aan een welzijns- of kinderopvangorganisatie. Leidsters die na schooltijd in de buitenschoolse opvang (bso) werken, nemen de kinderen in de middagpauze onder hun hoede. Zo verzorgt de Stichting Kinderopvang Rotterdam Noord de tso op basisschool de Blijberg in Rotterdam. Daar hangt wel een prijskaartje aan. De opvang werd door deze drastische professionalisering drie keer zo duur. Dat heeft de school leerlingen gekost, weet Truus van de Wal, adjunct-directeur van De Blijberg. Op haar school hebben ouders namelijk weinig keus: kinderen moeten haast wel overblijven want de pauze duurt maar een uur.
Continurooster
Een verkorte pauze, het zogenoemde continurooster, is een ander middel dat steeds meer scholen inzetten. Bij een continurooster maakte de pauze (meestal 45 minuten) een ‘integraal deel uit van de schooldag’. Alle kinderen blijven dus over. De leerkrachten begeleiden de middagpauze, soms samen met onderwijsassistenten. Aan zo’n scenario kleeft echter ook een nadeel: de leerkracht raakt zijn pauze kwijt en dat mag niet. Volgens de Arbowet heeft een leerkracht na 5,5 uur werken recht op een pauze van minstens een half uur.
Aparte stichting
Ook zijn er steeds meer scholen die de overblijf onderbrengen in een aparte stichting. Stichting de Blij-vertjes, een initiatief van de overblijfkrachten van basisschool Den Bongerd in Goirle, won er vorig jaar de Overblijfprijs van het Instituut voor de Ontwikkeling van Schoolkinderopvang mee.
De Blij-vertjes heeft twee opgeleide coördinatoren in dienst voor acht uur in de week. Zij zorgen - in nauw overleg met de school - onder andere voor voldoende overblijfkrachten, spelmateriaal en de financiën. Ook heeft de stichting een pedagogisch beleidsplan, richtlijnen en regels voor de overblijfkrachten.
Het voordeel van de stichtingsvorm is dat er een rechtspersoon is die aansprakelijk is. Maar van een gezagsverhouding is nog steeds geen sprake, want de overblijfkrachten zijn niet bij de stichting in dienst.
{kader}
Wat wil de AOb?
Kinderopvang hoort niet bij de taak van de leraar. Dat is de visie van de AOb. De bond had dan ook graag gezien dat de overblijf was ondergebracht in de Wet Kinderopvang. “Dat is het helderst, want het is ook kinderopvang”, zegt AOb-bestuurder Liesbeth Verheggen. Wel is de AOb blij dat de overblijf onder de verantwoordelijkheid komt te vallen van de schoolbesturen. “Dat schept duidelijkheid. Als directeur voelde je je toch al vaak verantwoordelijk. Nu kan je ook daadwerkelijk sturen.”
De bond is voorstander van combinatiefuncties, waarbij de tussenschoolse opvang bijvoorbeeld een taak wordt van onderwijsassistenten of er leidsters uit de buitenschoolse opvang voor worden ingehuurd. “Maar”, zegt Verheggen, “zo’n functie is hoogstens haalbaar voor de coördinator. Het is een illusie om te denken we het zonder vrijwilligers redden.” Die moeten, wat Verheggen betreft, wel zoveel mogelijk worden (bij)geschoold. “Dit werk kan niet iedereen en juist in de vrije momenten gebeuren er de vervelendste dingen.”
{kader}
Meer informatie
* Rineke van Daalen, Overgebleven werk. Kinderen tussen de middag op school, ISBN 90 5589 231 9, kost € 17,50 en is te bestellen bij uitgeverij Het Spinhuis in Amsterdam, telefoon 020 5252711, e-mail: uitgeverijspinhuis@fmg.uva.nl
* Meer informatie over de tso is ook te vinden op www.ios-ensac.nl
* Op 8 februari 2006 wordt de jaarlijkse IOS-conferentie over de tso gehouden in Ede. Tijdens deze conferentie wordt de Overblijfprijs 2006 uitgereikt. Vanaf september tot 1 december kunnen scholen, groepen of individuen zich hiervoor aanmelden. Het aanmeldformulier is te vinden op: www.ios-ensac.nl
De namen van Karin en Marjan zijn om redenen van privacy gefingeerd