• blad nr 13
  • 25-6-2005
  • auteur . Overige 
  • Column

 

Uit de praktijk

Soms, heel soms vraag je je als school af of je het goed doet. Doorgaans ben je daar volledig van overtuigd, maar als vernieuwingen en idealen niet meer strikt te scheiden zijn en door elkaar gaan lopen, dan wordt het tijd om eens op andere scholen te gaan kijken.
Nu kun je als team natuurlijk op de bonnefooi scholen bellen en bezoeken afleggen. Je loopt dan het risico op een school terecht te komen, waar helemaal niet gedacht wordt en dan schiet je toch mooi je doel voorbij. Je kunt er ook een bureau voor inhuren. Dat inventariseert wat je als team wilt, waar je heen wilt en kijkt dan hoe je daar komen kunt.
Nu werken bij zo’n bureau natuurlijk niet de eerste de beste vmbo-docenten, dus zij weten wel welke scholen wij dienen te bezoeken om ons beeld helder te krijgen en misschien zelfs duidelijk.
Op een wat miezerige dag gaan we op pad en komen door de files al te laat op onze eerste school aan. Gelukkig kunnen we het bureau de schuld geven, want dat had iemand bij zich die een kortere weg wist. Wij bedachten dat hij beter een snellere weg had kunnen wijzen dan een kortere. Ik hoopte vurig dat dit foutje niet een voorbeeld zou zijn van de werkwijze van het bureau. Mijn vertrouwen zou in een klap vervlogen zijn.
Na de rondleiding kwam de theoretische onderbouwing van het geheel. We kregen een plaatsje in ‘het conferentiecentrum’, alwaar een aantal mensen van deze school van wal stak.
Gelukkig werd het verhaal verlucht met een aantal doorstroomschema’s, waarvan de pijlen volgens ons alle kanten uit konden wijzen. Verder maakten ze weinig meer duidelijk dan het verhaal zelf. Dat was: heel weinig.
Ik keek eens naar mijn collega’s. Iemand maakte ijverig aantekeningen. Oh nee, hij zat te tekenen. Een ander keek naar buiten. Naast me zat iemand met een foldertje te spelen. Ik keek naar de overkant van de tafel waar ik de lege blik ontmoette van mijn vakbroeder. Blijkbaar deed ik het niet alleen verkeerd. Op een hoek van de tafel zag ik plotseling een paar ogen flonkeren. Zou hij propjes gaan gooien? Even was ik er bang voor, maar hij begon uitgebreid te fluisteren tegen zijn buurvrouw. Die proestte het bijna uit, maar de les ging verder.
We vluchtten de bus weer in en bliezen de aftocht. De volgende morgen keek ik de klas door, terwijl ik kort instructie gaf. Glimlachend stelde ik vast dat het hetzelfde beeld was als van mijn collega’s de dag ervoor. Zou ik net zo onduidelijk zijn geweest? Wat deden we die arme kinderen toch aan door van ze te verlangen dat ze uren en uren naar ons luisterden! In feite waren zij beleefder tegenover ons, dan wij gister tegenover onze ‘docent’.
“Waar gingen jullie gister heen met die bus?” vroeg Harold.
“Naar school”, zei ik een beetje verstrooid. “We hebben weer een hoop geleerd.” Zag ik iets van ongeloof in zijn ogen? Zal wel verbeelding zijn geweest.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.