• blad nr 13
  • 25-6-2005
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

Pabo-studenten worstelen met breuken en lidwoorden 

Wie niet kan rekenen, staat voor paal’

Veel pabo-studenten hebben moeite met taal en rekenen. De oorzaken verschillen. Allochtonen en mbo-doorstromers hebben problemen met taal, maar rekenen is ook voor hbo’ers vaak nog moeilijk, legt de Amsterdamse pabo uit.

Julie Menne, programmaleider rekenen op de pabo van de educatieve faculteit Amsterdam (EFA), vouwt van een velletje A-4 twee kokers. Eerst vouwt ze het velletje in de breedte, de koker wordt breed en laag. Daarna vouwt ze het velletje in de lengte, de koker wordt smal en hoog. Welke van deze kokers heeft nu de meeste inhoud?
De inhoud van beide kokers is gelijk, gokt de journalist van het Onderwijsblad. Want ze zijn immers opgebouwd uit hetzelfde velletje. Mis dus, grinnikt Menne. Want reken maar na: de brede, korte koker heeft een inhoud van 7,5 maal 7,5 maal 20 centimeter: 1125 kubieke centimeter. En de smalle, lange koker heeft een inhoud van 5 maal 5 maal 30 centimeter: slechts 750 kubieke centimeter. Dat scheelt nogal. Waarmee Menne maar wil zeggen dat rekenen op de pabo helemaal nog niet zo simpel is.
Het is volgens Menne dus ook zeker niet zo dat pabo-studenten op het gebied van rekenen – en taal – slechts tachtig procent van het niveau van groep acht hoeven te halen, zoals onlangs gemeld werd in de pers. Die publiciteit leidde tot enkele verbijsterde brieven in het Onderwijsblad. Een ‘bezorgde docent, decaan en ouder’ schreef dat leraren alleen serieus worden genomen als zij hun vak ook inhoudelijk beheersen. ‘Van een leraar basisonderwijs mag verwacht worden dat hij de cito-toets zelf foutloos kan maken. Dus honderd procent als minimum eis!’
Dat is nu ook al het geval, bezweert Menne. Het verhaal van de ‘tachtig procent’ is in het leven geroepen doordat de toetsen in rekenen en taal op de pabo een drietrapsraket vormen. In de propedeuse moeten de studenten zestig procent van de opgaven van de pabo-rekentoets voldoende maken, in het jaar daarna zeventig procent in het jaar daarna tachtig procent. Maar dat staat los van het niveau van de toets, dat volgens Menne boven het basisschoolniveau ligt.

Andere koek
Een behoorlijk aantal studenten scoort overigens onvoldoende op de eerste toets rekenvaardigheid in de propedeuse. Dat komt in de eerste plaats doordat veel studenten jarenlang nauwelijks meer cijfertjes hebben gezien. Studenten met een mbo-vooropleiding zijn al jaren met kinderen bezig en hebben op de mavo voor het laatst gerekend. Havisten en vwo’ers stromen vaak in zonder wiskunde in hun vakkenpakket en hebben dus ook lange tijd weinig met cijfers gedaan. Ook zij-instromers met een afgeronde hbo-opleiding zijn jarenlang niet meer met wiskunde bezig geweest. En dan nog: wiskunde is iets heel anders dan rekenen. Een vergelijking oplossen is andere koek dan breuken vermenigvuldigen. “Als je lang niet meer rekent, zakt het weg”, zegt Menne. “Van de deeltijdstudenten, vrijwel allemaal mensen met een afgeronde hbo-opleiding, zakt vijftig procent voor de eerste rekentoets.” En wie aan het einde van de propedeuse niet een score van zestig procent goede antwoorden heeft behaald, wordt met een bindend studieadvies de deur gewezen.
De Amsterdamse studenten krijgen in het eerste jaar ook een taaltoets, waarvoor ze vooraf twee boeken moeten doornemen met onder andere spellingsregels, werkwoordsvervoegingen en leestekens. Daarna volgt er een computertoets met tachtig vragen over bijvoorbeeld zinsontleding, woordsoorten benoemen en in de spellingswijze van de klassieke instinkers: woorden als concurrentie, akkoord, accorderen en portemonnee.
De resultaten op de eerstejaarstaaltoets zijn, net als die van de wiskundetoets, niet denderend. Dat komt, aldus programmaleider talen Adri Menheere, doordat een grotestads-pabo als de zijne meer mbo-doorstromers en allochtone studenten trekt. En allochtonen hebben vaak moeite met zinsbouw, verwijswoorden en lidwoorden. “Het meisje die daar loopt, geef mij de brood – dat soort fouten.”
Ook de taaltoetsen vormen een meertrapsraket. De lat in de propedeuse ligt op zeventig procent goede antwoorden. Wie minder scoort, krijgt een negatief studie-advies. Wat soms leidt tot behoorlijk emotionele taferelen, zoals een e-mail van een studente die schrijft dat ze het niveau toch echt wel kan halen. ‘Ik was naar de docent geweest, die cijfer is hoger gegaan, ik zal op antwoord wachtten en ik wil niet van mijn opleiding.’

Rolmodel
Tot nu toe hanteert de Amsterdamse faculteit, net als veel andere pabo’s in het land, eigen toetsen op het gebied van rekenen en taal. Onderwijsminister Maria Van der Hoeven wil daar graag eenheid in brengen, zodat alle studenten overal dezelfde toetsen maken en dezelfde scores moeten behalen om het negatieve bindende advies te ontlopen.
Irene Jansen, afdelingsmanager van de pabo, vindt die eenheid prima. “Maar dat betekent wel dat er extra geïnvesteerd moet worden. Want een grotestads-pabo heeft een andere instroom dan de pabo in – zeg – Drenthe.” Er zou dan ook extra geld moeten komen om de pabo-studenten in de grote steden bij te spijkeren op het gebied van rekenen en taal. “We kunnen ze nu in het eerste jaar een bijspijkercursusje aanbieden. That’s it. Er is veel meer nodig.”
Sommige studenten besluiten ook om zelf maar bijles te nemen, vertelt programmaleider Menne. Zeker als ze het tweede jaar ingaan en ze dus stage gaan lopen. ‘Als je slecht bent in wiskunde, kun je daar hier op de gang heel giebelig over doen. Maar als je voor groep acht staat is het een ander verhaal. Als je dan niet goed kunt rekenen, ga je helemaal af.”
Ook op het gebied van taal behoeven de studenten in Amsterdam extra aandacht. Er is een cursus in mondeling en schriftelijk taalgebruik, een jaar lang een keer per week. “Een leerkracht moet goed zijn in rekenen en taal, zo simpel is het”, zegt programmaleider Menheere. “Wat je de leerlingen moet leren, moet je zelf ook goed kennen - nog wel beter ook.” Maar hij heeft gemengde gevoelens over een landelijke standaard. “Emmen heeft nu eenmaal een andere instroom dan Amsterdam.”
En bovendien: op de Amsterdamse basisscholen zouden de allochtone studenten een mooi rolmodel zijn voor de leerlingen. Dan zou het toch zonde zijn om al die allochtone studenten via de landelijke zeef de deur te wijzen. Ook al omdat je ze later, in het tweede tot en met het vierde jaar, misschien wél op een beter niveau van rekenen en taal kunt krijgen.

Uitdaging
Ook interessant is de vraag wiens schuld het eigenlijk is dat de instromende studenten niet zo goed zijn in rekenen en taal. Want de pabo’s krijgen daarover veel kritiek voor hun kiezen, maar zij moeten het ook maar doen met de instroom die zij uit het mbo en het voortgezet onderwijs krijgen aangeleverd. “Heel Nederland vindt het niveau van de pabo te laag”, chargeert Jansen. “Maar iedereen met een havo- of mbo-diploma kan zich bij ons inschrijven. Niemand heeft het over de vooropleiding. En zo wordt het probleem bij ons neergelegd.”
Norbert Verbraak, voorzitter van de raad van bestuur van fontyshogescholen, heeft de minister van Onderwijs dan ook al opgeroepen om in het profiel cultuur en maatschappij, dat onder andere voorbereidt op de pabo, het vak wiskunde te handhaven. “Anders zijn sommige havo-afgestudeerden straks compleet exact-loos: dan hebben ze geen enkel gevoel voor cijfers opgebouwd.”
Een betere vooropleiding van de studenten zou het de pabo’s inderdaad makkelijker maken, zegt afdelingsmanager Jansen. Maar zo lang dat niet het geval is, moet je roeien met de riemen – of de instroom – die je hebt. “Selecteren is hartstikke makkelijk. Als je de lat in het hele land hoog legt, vallen er bij ons relatief veel studenten af. Maar is dat wat we met z’n allen willen? Of nemen we onze maatschappelijke verantwoordelijkheid en zien we er een uitdaging in om allochtone studenten toch startbekwaam te krijgen?”

{Kader}
Een nationale rekenlijn voor de pabo’s
De pabo’s ontwerpen samen met onder andere het Cito, de Stichting leerplan ontwikkeling en het Freudenthal instituut een nationale rekenlijn voor de pabo’s. Dat verklaart Frank Rokebrand, voorzitter van het landelijk overleg van de lerarenopleidingen basisonderwijs.
“Er gebeuren veel goede dingen op de pabo’s, maar er zit nog geen centrale lijn in. We willen de activiteiten op elkaar gaan afstemmen, zodat er uiteindelijk één rekenlijn voor de pabo’s ontstaat. Met bijvoorbeeld een diagnostische toets, die aspirant-studenten online kunnen te maken. Daaruit blijkt dan of je voldoende startniveau hebt op het gebied van rekenvaardigheid. Zo niet, dan zou je, voor je aan het eerste jaar begint, eventueel een summercourse of online bijspijkercursus kunnen volgen. Of op de pabo zelf een deficiëntieprogramma.”
Rokebrand beaamt dat mbo-doorstromers doorgaans wat slechter zijn in rekenen en taal dan leerlingen die net van de middelbare school komen. “Een mbo’er haalt doorgaans niet het niveau van een leerling met een vwo-pakket, maar dat is een open deur. Aan de andere kant zijn mbo’ers vaak veel beter in het contact met kinderen, omdat ze daar al een opleiding in hebben gevolgd en een stage in hebben gelopen. Op dat gebied hebben ze dus een voorsprong. De pabo’s moeten dus leren omgaan met een grotere differentiatie in de instroom.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.