• blad nr 12
  • 11-6-2005
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

Kleuterjuf blikt terug op de invoering van de basisschool 

Hakken in het zand

Bij veel kleuterleidsters sloeg de schrik om het hart, toen de invoering van de basisschool werd aangekondigd. Kleuters konden niet meer echt kind zijn, vreesden ze. De leidsters zelf kregen beter betaald, maar verloren status. Kleuterjuf Aleid Dik haalt herinneringen op aan onrustige tijden.

“De invoering van de basisschool begon met een gerucht. ‘Ze willen onze kleuterschool bij de lagere school voegen!’ In de krant lazen we dat er een nieuw onderwijskundig inzicht werd ingevoerd. Daar moesten we gelukkig mee zijn. Maar we waren sceptisch. Wat betekent het voor de kleuters? We vroegen ons af wat er van ons overbleef. De hakken gingen in het zand”, vertelt Aleid Dik, kleuterleidster bij montessorischool de Trinoom in Eindhoven.
Dik is sinds 1958 kleuterjuf. Toen de basisschool werd ingevoerd, stond zij net als veel collega’s niet direct te springen. De leidsters vonden de nieuwe school bedreigend voor de kleuters. En waren bang dat hun leerlingen niet meer echt kind konden zijn, als zij zo vroeg al les kregen in rekenen en taal.
De bond probeerde de overgang soepeler te maken en startte een kadertraining voor de hoofden van de kleuterscholen. Er zouden onderhandelingen komen met de lagere scholen en de hoofden moesten hun kleuters dan goed kunnen verdedigen. Veel hoofdleidsters werden adjunct-hoofd op de nieuwe basisschool.
“Dat leek in eerste instantie carrièremogelijkheden te bieden, maar uiteindelijk werden alle mannelijke lagere schoolhoofden directeur. Voor zover ik weet is niemand doorgeschoven van hoofd kleuterschool naar hoofd basisschool.”
De kleuterleidsters moesten op de basisschool breed inzetbaar worden. Dus kregen ze bijscholing. “Deze applicatiecursus werd door zijn nietszeggende inhoud als vernederend ervaren. Ik had een prima opleiding tot kleuterleidster gehad, was tien jaar hoofd van een kleuterschool geweest en nu moest ik me bijscholen. Een jaar lang kregen we op woensdagmiddag les in de didactiek voor de hogere klassen. Tamelijk oppervlakkig”, vertelt Dik.

Vak apart
“We werden bijgespijkerd in rekendidactiek want we moesten ook les kunnen geven aan hogere klassen. Sommige leidsters vonden het kleinerend. De onderwijzers van de lagere school hoefden geen bijscholing te volgen. Maar kleuters lesgeven is ook een vak apart, hoor.”
Toch had de invoering van de basisschool ook positieve gevolgen. De kleuterjuffen gingen meer verdienen. “Maar in de jaren tachtig ging het salaris in vergelijking met andere beroepen minder vooruit. Toen ik begon in 1958, verdiende ik bijna honderdvijftig gulden in de maand. Een vriendin kreeg maar tachtig gulden voor een baan als secretaresse. Ik had echt een goed salaris en een bijbehorende status. Toen de basisschool kwam, verminderde het respect voor het onderwijs. De statusvermindering en de invoering van de basisschool hangen voor mij samen.”
Met de komst van de basisschool waren de meeste hoofdleidsters niet langer eindverantwoordelijk voor de school. Oudergesprekken, het inschrijven van leerlingen en ouderraadvergaderingen werden vanaf 1985 de verantwoordelijkheid van de basisschooldirecteur, en dat was meestal een man. “Ook over het verzorgen van feestjes, de inkoop van de materialen en het aanstellen van collega’s en stagiaires moest je nu gaan overleggen. Hoe de samenwerking verliep, was erg afhankelijk van de onderlinge verstandhouding”, vertelt Dik. “In de school waar ik toen werkte, verliep die overgang goed. De kleuters werden niet als een ‘mindere klasse’ ervaren.”

Beige en roze
Hoewel de invoering op haar school goed verliep, gaf het Dik toch een dubbel gevoel. “Ik had grote angst dat de creatieve spontaniteit van de kleuter niet tot zijn recht zou komen. En dat de kleuter te weinig rust en ruimte zou krijgen om zich zelfstandig en evenwichtig te ontwikkelen.” Deze angsten bleken ongegrond. “Vierjarigen kunnen er echt aan toe zijn om letters of sommetjes te leren. Het is een voordeel dat we dat kunnen aanbieden. De kinderen zijn ook veranderd. Dat komt bijvoorbeeld door televisie en de computer. Ik kan me herinneren dat ik nog namen van kleuren moest aanleren. Nu weten kleuters minstens wat roze en beige is. Maar door het overvolle programma is er soms weinig tijd voor wat diepgang.”
Volgens Dik zijn er sinds de basisschool te veel methodes en systemen. “Ieder kind dat een beetje afwijkt van wat als norm wordt gezien, krijgt een etiket. Soms heeft zo’n kind alleen wat tijd en rust nodig. Je kunt je te vroeg zorgen maken. Aan de andere kant is het zorgsysteem wel verbeterd. Er zijn nu geschoolde medewerkers zoals remedial teachers. Het is goed dat kinderen sneller hulp krijgen. Voor 1985 was er nog nooit een logopediste bij mij op school geweest. Nu moeten we tot in detail opschrijven wat er aan een kind ‘mankeert’ omdat latere problemen vaak te herleiden zijn naar de eerste moeilijkheden. Scholen dekken zich in, ze moeten zich verantwoorden tegenover ouders. Dat is goed, maar ook benauwend.”

Kinderen vrijpostiger

Ook de basisschoolkinderen zijn de afgelopen twintig jaar veranderd. Dat vinden enkele ervaringsdeskundigen. De individualistische maatschappij en gebroken gezinnen krijgen de schuld.
Kinderen zijn vrijer, onrustiger, mondiger, vrijpostiger en minder gezagsgetrouw dan twintig jaar geleden. Dat zegt een aantal basisschoolleraren van het eerste uur. “Vooral op het sociaal-emotionele vlak zijn kinderen veranderd. Er zijn nu veel onvolledige gezinnen. Kinderen worden met zware dingen geconfronteerd en dat heeft een weerslag op hun gedrag”, weet Klaas Hessels, adjunct-directeur van christelijke basisschool het Kompas in Assen.
“De maatschappij is individualistischer geworden en dus richten kinderen zich ook vaker op het eigen ik”, stelt Bert van Eken, directeur van openbare basisschool de Waterlelie in Zoetermeer.
Leerlingen laten zich luider horen. Leerkrachten hebben minder autoriteit, ouders trouwens ook. “Veel ouders denken dat hun kinderen snel volwassen zijn. Er is een overlegcultuur. Vroeger zeiden ouders ‘we doen het zo’, nu vragen ze om de mening van hun kind. Dat brengt kinderen in de problemen. Ze krijgen te veel verantwoordelijkheden”, vindt Hessels. “Je kunt je leerlingen elke dag vragen wat ze op school willen doen. Democratisch discussiëren over de daginvulling. Maar wanneer je niet alles ter discussie stelt, geef je ze structuur en dan gaat het beter met ze”, constateert Van Eken.
Gebrek aan structuur maakt kinderen vrijpostig. “Zaken die twintig jaar geleden normaal waren, zijn dat nu niet meer. Dat heeft ook te maken met waarden en normen”, zegt Hessels. “Vorige week gingen we bijvoorbeeld op excursie naar een kerkgebouw. Of je nu een gymnastiekzaal of een kerkgebouw met ze bezoekt, ze gedragen zich hetzelfde. Dat verschil zien ze niet meer.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.