• blad nr 12
  • 11-6-2005
  • auteur M. Vermeulen 
  • Column

 

Zeker weten

Maria op internet, daar krijg je natuurlijk al de eerste tegenstelling tussen moderne tijden en de christelijke traditie. Maar het gaat nu over Maria van der Hoeven die zich op haar weblog afvroeg of er in het onderwijs geen aandacht moet worden besteed aan alternatieven voor de evolutietheorie. Ze is voorstander van een debat waarin de evolutietheorie geconfronteerd kan worden met andere opvattingen, zoals Intelligent Design. Kamervragen en bezorgde wetenschappers in de pers legden weer eens haarfijn twee paradoxen uit het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsbestel bloot.
Wetenschappers reageerden buitengewoon defensief op de gedachte dat de minister iets naast de evolutietheorie wil zetten. Ik schrok een beetje van de heftigheid van de reactie, die de strekking had: wij weten het zeker en we willen het er verder niet over hebben, het is een verspilling van tijd om hierover te discussiëren. Daarmee trekt de wetenschap zichzelf een te grote broek aan, want zoveel weten we helemaal niet zeker als het gaat om vragen als waar het leven op aarde vandaan komt, of het nieuwe leren werkt, waarom homeopathische middelen soms heilzaam zijn en hoe de onzichtbare hand in de economie zorgt voor marktevenwicht. Als oprecht agnost stoort die houding me omdat er op de weg naar alternatieve verklaringen al direct een verboden-in-te-rijden-bord geplaatst wordt. Wetenschap is naar mijn stellige overtuiging gediend met tweerichtingsverkeer tussen twijfel en weten. En daarmee hebben de beoefenaars ervan de dure plicht om iedere vorm die het ‘zeker weten’ uitdaagt, serieus van repliek te dienen en niet op voorhand de discussie uit te weg te gaan.
Waarom doet Van der Hoeven dit? Waarom bemoeit ze zich met de discussie tussen evolutionairen en creationisten? Heeft ze niets beters te doen en snapt ze ineens artikel 23 van de grondwet niet meer? Dat waren zo’n beetje de geluiden uit politiek Den Haag, refererend aan de aloude vraag of de minister zich met de inhoud van onderwijs mag bemoeien. Vanaf de onderwijspacificatie in 1917 geldt: ‘Wel betalen maar niet bepalen’. Dat is in het begin van de 21ste eeuw, met een terugtredende overheid, net zo min aan de orde als aan het begin van de vorige eeuw. Langs allerlei wegen bemoeit de overheid zich intensief met onderwijs: via bekostiging, bevoegdheden, eindtermen, inspectietoezicht en ga zo maar door. Het is een fictie om te bedenken dat deze bemoeienis geen consequentie voor de inhoud van onderwijs heeft of dat ze alleen maar van ‘technische’ en dus waardeneutrale aard zou zijn. Iedere aanwijzing die gegeven wordt, kent onderliggende opvattingen over wat wenselijk en waardevol is, ook als het bijvoorbeeld over een technische bekostigingsregel gaat. Ligt aan de invoering van de lumpsumfinanciering niet de gedachte ten grondslag dat meer autonomie beter is? Met dank aan de liberale ideologie. Is het afwijzen van collegegelddifferentiatie niet ontleend aan een gelijkheidsideaal, ontleend aan sociaal-democratische opvattingen over de verzorgingsstaat? Kortom, laten we niet zo krampachtig doen over een minister die eens een gesprek wil voeren over een voor haar kennelijk belangrijk thema. Laat Oscar Wilde de aftrap doen van dit debat met zijn beroemde uitspraak: ‘I think that God in creating man somewhat overestimated his ability’.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.