- blad nr 7
- 2-4-2005
- auteur R. Sikkes
- Commentaar
Invallen toen
Oorzaak van dat alles is het magere bedrag dat beschikbaar is voor de vervanging van zieke leerkrachten. Tot 1992 gebeurde dat op declaratiebasis. Bij ziekte belde de school een invaller en stuurde de rekening naar het ministerie van Onderwijs. Omdat de minister het ziekteverzuim steevast te laag inschatte, werd deze post jaar in jaar uit flink overschreden. En inderdaad, de openeinderegeling maakte ook dat het verzuim moeilijk beheersbaar was. Invallers op hun beurt kregen destijds uit bezuinigingsoverwegingen een lager salaris.
In een paar jaar tijd veranderde dat volkomen. De voorlopers van de AOb wisten de wonderlijke invallerskorting uit de cao te halen. Maar ze werden vanwege de overschrijdingen op de vervangingsuitgaven later geconfronteerd met een stevige bezuiniging op die post van rond de honderd miljoen gulden èn de dreiging dat er een salariskorting zou komen voor wie ziek werd. Toen hebben werkgevers en werknemers in 1991 zelf besloten om de vervanging te organiseren, in het nieuwe Vervangingsfonds. Hun eis dat er ook werd geïnvesteerd in bedrijfsgezondheidszorg, werd na lang soebatten gehonoreerd.
Invallen nu
In 1991 piekte het ziekteverzuim in het onderwijs ver boven het landelijk gemiddelde. De inspanningen van het Vervangingsfonds en de bedrijfsgezondheidszorg hebben ervoor gezorgd dat het verzuimpercentage zich nu rond dat landelijk gemiddelde beweegt. Een prestatie van formaat. Toch staat het budget van het Vervangingsfonds steeds onder druk door ingrepen van het ministerie. En, laten we eerlijk zijn, doordat het vervangingsbudget eigenlijk het verdelen van de armoede is. Een van de gevolgen van die permanente armoede is dat grote schoolbesturen in het voortgezet onderwijs liever zelf over het vervangingsbudget beschikken om intern de zaken te regelen, met het vage idee dat zij dan beter af zijn. Een ander gevolg is dat voor kleine scholen en het basisonderwijs nog wat kruimels overblijven om de vervanging te organiseren. Er is geen geld om altijd een vervanger klaar te hebben staan. Altijd is misschien veel gevraagd, maar de vervanging kan beter worden geregeld dan nu het geval is.
Invallen straks
Twee projecten laten zien dat het beter kan. De plusleraar en de vervangingspools. In het eerste geval hebben grote scholen extra formatie om stante pede openvallende gaten in te vullen. Bij de pools gaat het om samenwerkingsverbanden van scholen die een vaste groep vervangers kunnen oproepen. Beide systemen hebben dezelfde voordelen: baanzekerheid voor de invallers, vervangingszekerheid voor de scholen, continuïteit in het leren voor leerlingen, vertrouwen in de kwaliteit van het onderwijs bij de ouders. Die rust lijkt in de pilotprojecten met de plusleraar nog meer op te leveren: een verdere daling van het ziekteverzuim. Landelijke invoering van beide projecten kost alleen extra geld en dat lijkt voor het ministerie van Onderwijs, dat uiteindelijk toch alle rekeningen van de scholen betaalt, een brug te ver. Maar wat willen we nu? Een gezond werkklimaat, kwaliteit en continuïteit, of noodoplossingen en stress?