- blad nr 7
- 2-4-2005
- auteur L. Douma
- Vakwerk
Training geeft gehandicapt kind zelfvertrouwen
Pesten zorgt voor veel leed. Schelden doet wèl pijn. Mensen die gepest worden, functioneren vaak niet goed meer. Ze zijn bang, verliezen zelfrespect en lopen trauma’s op. Vandaar dat veel scholen aandacht schenken aan pesten. Zo ook school Lyndensteyn voor mytyl- en tyltylonderwijs in het Friese Beetsterzwaag. Met behulp van weerbaarheidstrainingen moeten gehandicapte kinderen weer met opgeheven hoofd de samenleving in.
“Wij streven ernaar dat zoveel mogelijk kinderen (terug)gaan naar het reguliere onderwijs. Daar moeten ze weerbaar zijn tegen pesters”, vertelt Sigrid van Zoelen, docent bewegingsonderwijs en weerbaarheidstrainer op school Lyndensteyn. “Op de reguliere basisschool worden kinderen met een beperking over het algemeen nog niet eens zo gek vaak gepest, maar op de middelbare school wordt het moeilijk voor ze.” Ook op straat zijn gehandicapten vaak een mikpunt. “Het vreemde is dat kinderen met een weinig zichtbare handicap meer gepest worden dan kinderen met een goed zichtbare handicap. Als een kind in een rolstoel zit, is het duidelijk dat hij niet kan lopen. Als een been bijvoorbeeld sleept en niemand weet waarom, krijgt een kind eerder commentaar.” Van Zoelen leert gehandicapte kinderen met èn zonder rolstoel omgaan met dat commentaar.
“Het unieke aan deze training is dat wij weerbaarheid en zelfverdediging integreren. Als kinderen zich sterker voelen, als ze weten hoe ze zich fysiek moeten verdedigen, worden ze mentaal ook sterker. Dan lopen ze met opgeheven hoofd op straat en kijken ze mensen aan. Daardoor worden ze minder kwetsbaar.” Het programma van de training is gebaseerd op de handboeken ‘Weerbaarheid van vrouwen en meiden met een handicap’ en ‘Voel je oké’ en op cursusmateriaal van de Pluryn Werkenrode Groep.
Van Zoelen geeft de training nu vijf jaar op Lyndensteyn. Leerlingen kunnen zich opgeven voor de training; hij is niet verplicht. Wie de training volgt, mist een aantal reguliere lessen en moet de gemiste lesstof later zelf inhalen. Aan de training is ook huiswerk verbonden in de vorm van zelfreflectie. Toch zijn dit voor de leerlingen geen redenen om de training dan maar niet te volgen. “Bijna iedereen doet mee. Kinderen die op school zelfvertrouwen hebben, blijken dat buiten school vaak minder te hebben en hopen het te verbeteren door de training.”
Rolstoel als wapen
De training bestaat uit vijftien lessen van tweeënhalf uur. Gedurende vier lessen is er aandacht voor zelfverdediging. “Ze leren bijvoorbeeld hoe ze uit een wurggreep kunnen komen en wat de kwetsbare punten van een mensenlichaam zijn. Ook kijken we heel goed naar de mogelijkheden van leerlingen.” Een leerling die zijn linkerarm niet kan gebruiken, leert zijn rechterarm efficiënt in te zetten. En een leerling in een rolstoel leert zijn stoel als ‘wapen’ te gebruiken. “Rolstoelen hebben uitstekende punten, daar kun je wat mee. Bovendien kun je – als je een elektrische rolstoel hebt – iemand die jou aanvalt klemrijden. Het is dan wel belangrijk te allen tijde je pookje te beschermen, anders ben je nergens.”
Tijdens de overige lessen wordt elke keer een ander thema behandeld. Onderwerpen als assertiviteit, grenzen trekken, intimiteit en zelfvertrouwen komen bijvoorbeeld aan bod. Ook wordt er onderscheid gemaakt tussen meisjes en jongens. Voor beide seksen zijn aparte trainingen. “Bij de meidentraining wordt er meer gepraat en is er aandacht voor seksualiteit. Meisjes met een beperking willen graag ‘normaal’ zijn. Ze willen een vriendje. En als dat vriendje seks wil, weten ze vaak niet hoe ze daarmee om moeten gaan, wat ‘normaal’ is. Ik leer ze dat ze geen trut zijn als ze niet met een jongen naar bed willen. Ze moeten vooral hun eigen ja- en nee-gevoel leren onderkennen. Het komt toch regelmatig voor dat meiden verder gaan dan ze eigenlijk willen. Vooral waar mensen intern wonen, gebeurt dat vaak”, vertelt Van Zoelen.
De jongens krijgen les over ‘respect voor meisjes’. Daarnaast is er bij de jongenstraining veel aandacht voor stoer gedrag. “We leren ze dat stoer gedrag niet ten koste van anderen mag gaan en dat ze zich niet moeten laten dwingen tot zogenaamd stoer gedrag. Je bent dan naast dader ook slachtoffer van je eigen gedrag. Het is niet stoer om bijvoorbeeld iemands fiets om te trappen.”
Verder lijken de trainingen erg op elkaar. Uiteindelijk is het doel van beide varianten om leerlingen weerbaar en zelfverzekerd te maken. En dat lukt.
Sukkel
“Als ik over straat liep, had ik vaak het gevoel dat mensen mij aanstaarden en dachten ‘wat een sukkel’. Ik was onzeker”, vertelt Johan van der Heide (15, 3-vmbo). “Ik begin nu steeds meer te denken: Als zij mij een sukkel vinden, is dat hun probleem.” Johan kreeg meer zelfvertrouwen en anderen merkten dat ook. Van Zoelen: “Op school zagen mensen dat hij rechter liep.”
Johan is erg trots op alles wat hij tijdens de training heeft geleerd. “Aan het einde van de training gaven wij een demonstratie. We mochten toen proberen een plankje door te slaan. Ik wilde dat heel graag doen, maar het lukte niet. Toen kreeg ik een ander plankje en lukte het wel. Ik heb het gebroken plankje nog steeds thuis.”
De 16-jarige Milotte Keesman (4-vmbo) deed de training vorig jaar. “Ik heb een pestverleden. Daardoor ben ik heel onzeker geworden. Dankzij de training heb ik meer zelfvertrouwen. Toen ik gepest werd, schaamde ik mij daarvoor. Maar ik heb een knik gemaakt. Ik weet nu dat zij zich moeten schamen en niet ik.” Terwijl Milotte dit vertelt, kijkt ze haar klasgenoot Frank Moezelaar (16, 4-vmbo) indringend aan. Wat blijkt? Frank was een van de pesters. “Maar ik was niet de ergste.”
Frank pest Milotte niet meer. “Ik ben ouder geworden. Schamen is een groot woord, maar ik vind het wel confronterend om Milotte te horen over toen ze gepest werd.” Hij weet zelf heel goed waarom hij Milotte pestte. Net als veel andere gehandicapte kinderen werd Frank buiten school gepest, door buurtkinderen zonder handicap. “Daar heb ik eens wat van gezegd. Iets in de trant van ‘wat als jullie zelf gehandicapt waren, hoe zouden jullie het dan vinden om gepest te worden’. Blijkbaar vatten ze dat goed op, ze zijn in ieder geval gestopt. Maar ik was erg gefrustreerd doordat ik gepest werd. Ik denk dat ik daarom Milotte pestte.” Van Zoelen: “Het rare is dat gepesten vaak pester worden. Daarom schenken we daar tijdens de training ook aandacht aan.”