- blad nr 7
- 2-4-2005
- auteur Y. van de Meent
- Redactioneel
Het gaat wel om bijna drieduizend banen bij de educatie
Nieuwe zakelijkheid in het beroepsonderwijs
Een kleine meerderheid van de regionale opleidingencentra (roc’s) heeft moeite de inkomsten en uitgaven in evenwicht te houden. In 2003 sloten 21 van de 41 roc’s het boekjaar af met een tekort. Twaalf van die brekebenen zaten het jaar ervoor ook al in de rode cijfers en vijf roc’s kampen al drie jaar met een tekort. Maar het jaarrekeningenonderzoek dat het Onderwijsblad heeft uitgevoerd, levert ook positief nieuws op: de tekorten van de roc’s worden kleiner. In 2002 boekten de instellingen gezamenlijk een negatief resultaat van ruim tien miljoen euro, in 2003 was er een positief saldo van 377.000 euro. Bovendien wisten twintig roc’s in 2003 geld over te houden en zeven instellingen doen dat zelfs al zes jaar op rij. Uitkomen met je centen kan dus wel (zie kader 'Arme en rijke roc's').
De financiële problemen zijn zeker niet toe te schrijven aan teruglopende inkomsten. Sinds 1998 is de subsidie voor het verzorgen van het beroepsonderwijs gegroeid van 1,6 miljard naar 2,2 miljard euro, een toename van ruim veertig procent. De inkomsten die roc’s verwerven door het verzorgen van educatie- en inburgeringstrajecten in opdracht van de gemeenten, groeiden nog onstuimiger: van 253 miljoen in 1998 naar 449 miljoen in 2003, een toename van 76 procent. Het probleem van veel roc’s is dat de kosten nog harder stijgen dan de inkomsten. Ze hebben hun uitgaven dus niet onder controle.
Neem het roc van Amsterdam. De afgelopen zes jaar eindigde de grootste bve-instelling van Nederland vijf keer in de rode cijfers. In 2003 was er een tekort van 8,5 miljoen (4,4 procent van de totale inkomsten). Niet zo ernstig als het negatieve resultaat van 18 miljoen uit 1998 (12,2 procent van het totaal), maar toch geen teken van grote budgetdiscipline. “Elk jaar komt er meer geld binnen dan verwacht, maar blijken de uitgaven ook veel hoger dan begroot”, constateert René den Nijs, secretaris van de centrale medezeggenschapsraad. “Het ligt niet aan de uitgaven aan onderwijspersoneel, die stijgen minder hard dan de andere kosten. Het geld lekt weg naar zaken als mooie gebouwen en ict. En vergeet de bureaucratisering niet. Problemen worden hier opgelost door er een nieuwe managementlaag bij te zetten. Een paar jaar geleden heeft de raad een onafhankelijke accountant onderzoek laten doen naar de oorzaak van de tekorten. Toen bleek dat er veel te veel personeel voor ondersteuning en beheer is.” Volgens Den Nijs is het onderwijs het kind van de rekening. “De groepen worden groter en er zijn minder lesuren. Het onderwijs wordt uitgehold.”
Het roc van Amsterdam zal ondanks de chronische tekorten niet snel failliet gaan. De instelling beschikt net als de meeste andere roc’s over een stevige vermogenspositie. De solvabiliteit (een maat voor het vermogen om de langetermijnschulden af te lossen) schommelt rond het roc-gemiddelde van vijftig procent. Met zo’n solvabiliteit is het niet moeilijk om tegen redelijk gunstige voorwaarden leningen af te sluiten bij een bank. Toch werkt het Amsterdamse roc hard aan het verbeteren van de bedrijfsvoering, anders kunnen de ambitieuze bouwplannen niet gefinancierd worden. In 2004 moeten de inkomsten en uitgaven met elkaar in evenwicht zijn en in 2005 moet er sprake zijn van een overschot.
Op de schop
Het Amsterdamse college van bestuur neemt allereerst de werkmaatschappij educatie op de schop. Want de tekorten zijn vooral te wijten aan de slechte bedrijfsvoering en het gebrek aan productiviteit bij het volwassenenonderwijs, meldt het college van bestuur in het jaarverslag. Ondanks de groeiende omzet draait het volwassenenonderwijs met verlies. Afgelopen zomer werd bovendien duidelijk dat door de introductie van marktwerking en bezuinigingen op de inburgering een abrupt einde komt aan de groeiende educatieomzetten (zie kader 'De tucht van de markt'). Het roc van Amsterdam houdt rekening met een omzetverlies bij educatie van 26 miljoen euro op jaarbasis. In 2003 kwam er nog 46,5 miljoen euro binnen (24 procent van de totale inkomsten van het roc). De reorganisatie gaat 373 arbeidsplaatsen kosten. Eind januari gingen in Amsterdam de eerste ontslagaanzeggingen de deur uit.
De educatieafdelingen in andere grote steden draaien ook met verlies. Snelheid is geboden bij het op orde brengen van het huishoudboekje, want de omzetverliezen bij educatie kunnen het voortbestaan van een heel roc in gevaar brengen. Dat toont de meerjarenraming die het roc Midden Nederland de afgelopen zomer heeft gemaakt genadeloos aan. De instelling, in 2003 ontstaan door een fusie van het roc Utrecht en de Amerlanden in Amersfoort, draait al twee jaar met verlies: 4,3 miljoen in 2002 (een tekort van 2,8 procent) en 3,3 miljoen (2,3 procent) in 2003. Bij ongewijzigd beleid lopen de tekorten op naar achttien miljoen euro per jaar. Omdat Midden Nederland door recente investeringen in nieuwbouw niet zo’n riante vermogenspositie heeft als andere roc’s, is het in 2007 al door zijn eigen vermogen heen. In 2008 ontstaat een negatief eigen vermogen van 21 miljoen euro en is de instelling virtueel failliet.
Midden Nederland kampt, in tegenstelling tot andere roc’s, met een terugloop van leerlingen in het beroepsonderwijs. Door de verslechtering van de economie daalt ook de omzet bij het contractonderwijs. Daarom reorganiseert de instelling niet alleen bij educatie, maar wordt er gewerkt aan een 'herontwerp van de hele organisatie'. In totaal verdwijnen er bij het roc 340 volledige banen, ruim zeventien procent van de formatie. Bij educatie (goed voor twintig procent van de inkomsten) wordt het personeelsbestand bijna gehalveerd: van de 417 arbeidsplaatsen verdwijnen er 192. Daarnaast moeten de bestuurlijke en administratieve processen efficiënter gaan verlopen. “Dat betekent dat we ook de staf en het management gaan inkrimpen”, zegt collegelid Lucy Schmitz. Maar van het schrappen van nieuwbouwprojecten kan geen sprake zijn. “We moeten blijven investeren in huisvesting, want met oude gebouwen trek je geen leerlingen”, aldus Schmitz.
Eerlijke concurrentie
Midden Nederland houdt net als het roc van Amsterdam rekening met een verlies van vijftig procent van de educatie-inkomsten. Ook Mondriaan in Den Haag en Zadkine in Rotterdam maken die inschatting. Het Rotterdamse Albedacollege is wat optimistischer en denkt het omzetverlies bij de divisie educatie te beperken tot dertig procent. In totaal verdwijnen er bij de vijf roc’s in de vier grote steden (die samen goed zijn voor veertig procent van de educatie-inkomsten) 1173 personeelsplaatsen. Als roc’s buiten de randstad ook dertig tot vijftig procent van hun omzet verliezen, dreigen er landelijk ruim 2900 banen te verdwijnen.
Sinds het najaar betogen de roc’s dat ze zo’n grote personeelsreductie niet kunnen uitvoeren zonder in het beroepsonderwijs te snijden. Bij gedwongen ontslagen betaalt de sector zelf de wachtgeldkosten en die lopen op naar drie keer het jaarsalaris van het ontslagen personeelslid. Teneinde één arbeidsplaats weg te bezuinigen, moeten er dus nog drie weg om de wachtgeldkosten te betalen. De brancheorganisatie Bve-raad onderhandelt al maanden over een overgangsregeling. De roc’s willen een transitiebudget waarmee ze maatregelen kunnen betalen om gedwongen ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen. En ze willen de marktwerking in de educatie geleidelijker invoeren zodat de roc’s hun educatieafdelingen klaar kunnen maken voor de concurrentie met commerciële aanbieders. Bovendien moet het wel een eerlijke concurrentiestrijd worden. Commerciële aanbieders van inburgeringstrajecten moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als roc’s en er moet een acceptatieplicht van deelnemers komen. Anders storten de nieuwe aanbieders zich op de kansrijke immigranten aan wie geld valt te verdienen (tandartsen uit Egypte bijvoorbeeld) en moeten de roc’s zich ontfermen over de kansarmen die meer geld kosten dan opleveren (analfabeten uit Ghana).
De roc’s zijn vorig jaar al begonnen met het afslanken van hun educatieafdelingen. Tijdelijke arbeidscontracten zijn opgezegd en medewerkers worden gestimuleerd over te stappen naar het beroepsonderwijs - als daar al vacatures zijn - of een baan te zoeken buiten het roc. Eind december werd de invoering van het nieuwe inburgeringsstelsel op de valreep uitgesteld en daarmee ook de bezuinigingen en de introductie van marktwerking. Daardoor valt het omzetverlies dit jaar mee en hebben de educatieafdelingen nog werk genoeg. Petie Baudoin, directeur educatie stad bij Zadkine: “In 2004 hebben we een recordomzet gedraaid en voor 2005 hebben we ook nog een goed gevulde portefeuille.” Maar intussen is de mobiliteit bij Zadkine al flink op gang gekomen. “Sommige teams lopen al helemaal leeg. Daardoor moeten we weer tijdelijke medewerkers inhuren om al het werk uit te voeren. Een paradoxale situatie, maar het kan niet anders”, aldus Baudoin. Door de stelselwijziging verdwijnen bij Zadkine educatie 258 van de 445 arbeidsplaatsen. En het nieuwe inburgeringsstelsel komt er, daarvan zijn alle betrokkenen doordrongen. De grote klap die voor 2005 werd verwacht komt gewoon een of twee jaar later.
Prijzenslag
Het uitstel geeft de roc’s wat meer tijd hun educatieafdelingen bedrijfsmatiger te laten werken en dat is hard nodig. “De gemeenten sluisden in het verleden hun educatiebudgetten gewoon door naar de roc’s. Op de kostprijs van de trajecten werd nauwelijks gelet. Maar dat is echt verleden tijd nu gemeenten met openbare aanbestedingen moeten gaan werken”, stelt Roy Dettingmeijer, manager werkgeverszaken bij Mondriaan. De gemeente Den Haag heeft er al mee geëxperimenteerd. “Daarbij hebben wij een klein project, ongeveer 25 arbeidsplaatsen, verloren aan een commerciële aanbieder. De gemeenten zien gewoon de prijsverschillen.”
Door meer te werken met tijdelijke contracten en waar mogelijk docenten te vervangen door onderwijsassistenten en instructeurs, kunnen roc’s goedkoper gaan werken. Maar ze zijn bang dat ze de prijzenslag met de commerciëlen niet kunnen winnen zolang ze vastzitten aan de cao. Dettingmeijer: “Toen de sector educatie samen met het beroepsonderwijs werd ondergebracht in roc’s, is met de vakbonden afgesproken dat alle docenten in schaal 10 terecht zouden komen. We zitten vast aan dure wachtgeldregelingen waarop we zelf geen invloed hebben en in de cao is vastgelegd dat een docent ongeveer de helft van de totale werktijd, maximaal 823 uur per jaar, voor de klas mag staan. Dat gaat bij commerciële bedrijven heel anders.”
Toch denkt Jack van Lent, algemeen directeur educatie bij het Albedacollege in Rotterdam, dat de kostprijs omlaag kan. Albeda educatie denkt het omzetverlies de komende twee jaar te kunnen beperken tot dertig procent. Daardoor verdwijnen er wel 150 arbeidsplaatsen (van de 540), maar het college van bestuur heeft beloofd dat daarbij tot en met 2006 in principe geen gedwongen ontslagen zullen vallen, want alle boventallige educatiemedewerkers worden herplaatst binnen het roc.
Die ambitieuze doelstellingen kunnen alleen worden gehaald als de prijs die het Albeda per uitvoeringsuur in rekening brengt met dertig procent omlaaggaat. Daarmee hoort het Albeda nog steeds niet tot de goedkoopste aanbieders, “maar we gaan ook niet mee met de prijsvechters”, stelt Van Lent. “Wij mogen wel ietsje duurder zijn, want we leveren ook meer kwaliteit.”
De kosten moeten op alle fronten omlaag: er wordt bezuinigd op huisvesting (minder locaties), de administratieve last wordt teruggebracht en het mes gaat ook in het management. Daarnaast moet de produktiviteit omhoog door de inzetbaarheid van docenten te vergroten. “We moeten de locatiegebondenheid loslaten, meer flexibele dienstverbanden aangaan en docenten niet koppelen aan vaste taken, maar inzetten bij de projecten die zich aandienen”, aldus Van Lent. “Misschien moeten we de cao-bepalingen over het jaartaakbeleid wat strikter toepassen, maar als we de werkgelegenheid op de lange termijn veilig willen stellen, moeten we deze stappen nemen. Bovendien zullen we ons zakelijker moeten opstellen. In het verleden zijn we wel eens te klantvriendelijk geweest. Docenten boden extra’s die wel goed voor de cursist waren, maar waar de opdrachtgever niet per se om vroeg. In de toekomst moeten we korte, effectieve trajecten verzorgen, zonder overbodige franje. Gewoon in rechte lijn naar het doel toe dat de opdrachtgever heeft gesteld.”
Kraamkamer
Albeda educatie vraagt dus niets meer en niets minder dan een radicale cultuuromslag. Dat is moeilijk, maar niet onmogelijk, denkt Van Lent. Bij KPN, waar hij twaalf jaar werkte, heeft hij de privatisering meegemaakt en gezien dat het kan. “Het moeilijkste is dat we een nieuwe, marktgerichte organisatie moeten inrichten terwijl we aan het afslanken zijn.” De sector educatie verricht pionierswerk en de ervaring daarmee zal het beroepsonderwijs nog van pas komen, denkt hij. “Educatie is de kraamkamer van het roc. Ik ben ervan overtuigd dat ook het beroepsonderwijs met marktwerking te maken krijgt.”
Die overtuiging deelt Lucy Schmitz (roc Midden Nederland). “Roc’s moeten haast maken met de omslag naar een marktgerichte organisatie, want op termijn moet het beroepsonderwijs, net als educatie, gaan concurreren met commerciële aanbieders. In de gezondheidszorg is het al zo ver, daar moeten werkgevers hun interne opleidingen al openbaar aanbesteden. De omslag naar het open bestel gaat veel sneller dan veel mensen denken.”
[Kader 1]
Arme en rijke roc’s
Door aanhoudende verliezen is de financiële positie van vijftien roc’s de afgelopen jaren verslechterd, maar de meeste kwakkelaars hebben nog genoeg vet op de botten om met gemak te overleven. Slechts twee roc’s staan er ronduit slecht voor: Flevoland en Kop van Noord-Holland. Beide roc's boeken jaar in jaar uit een tekort en hollen daarmee hun vermogen uit. De solvabiliteit is onder de kritische grens van twintig procent gezakt. En ze hadden eind 2003 niet voldoende geld in kas om de uitstaande schulden te betalen.
Flevoland is in problemen gekomen door de explosieve groei. Bij het nog jonge roc neemt het aantal leerlingen jaarlijks met tien tot vijftien procent toe. Omdat roc’s worden bekostigd op basis van het aantal leerlingen dat twee jaar eerder stond ingeschreven, moeten groeiers de uitbreidingskosten voorschieten. Roc Flevoland heeft daarvoor geld moeten lenen bij banken en zit nu zwaar in de schulden. Vorig jaar heeft toenmalig staatssecretaris Nijs de helpende hand uitgestoken: zij beloofde de rente te betalen op de leningen die het roc heeft moeten afsluiten om de groei te financieren. Daardoor krijgt Flevoland van 2005 tot 2010 ongeveer vier miljoen euro extra.
Het roc Kop van Noord-Holland moet zichzelf aan de haren uit de modder trekken door de uitgaven in overeenstemming te brengen met de inkomsten. Negentien procent van die inkomsten is afkomstig uit educatie. Hoewel er rekening moet worden gehouden met een omzetdaling, vallen er geen gedwongen ontslagen, heeft het college van bestuur verzekerd.
Drie roc’s maken aanspraak op de titel 'Rijkste roc van Nederland': Friese Poort, A12 en Oost-Nederland. Ze hebben in 2003 meer dan vijf procent van hun inkomsten overgehouden en hebben alledrie meer dan twintig miljoen op de bank staan. Roc A12 had eind 2003 zelfs 35 miljoen in kas. Toch is Oost-Nederland met 26 miljoen op de bank het meest liquide. Met een solvabiliteit van 78 procent heeft de instelling in Hengelo ook de beste vermogenspositie van alle roc’s. In 2004 is het welvarende roc gefuseerd met het veel kleinere roc Twente plus uit Almelo, dat er wat minder warmpjes bij zit. Het is dus de vraag of het nieuwe roc van Twente in 2004 de ranglijst blijft aanvoeren.
[kader 2]
De tucht van de markt
In 1996 zijn de basiseducatie (alfabetisering, NT2) en het vavo (mavo, havo en vwo voor volwassenen) samengevoegd en ondergebracht bij de roc’s. Gemeenten krijgen van het ministerie van Onderwijs een budget dat zij bij roc’s moeten besteden aan educatietrajecten, de zogenoemde gedwongen winkelnering. In 1998 kwamen daar de inburgeringsbudgetten bij.
Het educatiebudget is de afgelopen jaren vrij constant gebleven, maar de inburgeringsbudgetten groeiden onstuimig omdat de gemeenten steeds meer geld kregen om de wachtlijsten bij taalcursussen weg te werken. In 2003 was er voor educatie 233 miljoen euro beschikbaar en voor inburgering 280 miljoen, waarvan ongeveer 180 miljoen voor de inburgering van nieuwkomers en 100 miljoen voor oudkomers. De inburgering van nieuwkomers moet door roc’s verzorgd worden, maar de gemeenten mogen de cursussen voor oudkomers onderbrengen bij commerciële aanbieders en dat doen ze ook regelmatig.
De verantwoordelijkheid voor de inburgering (en het budget dat daarbij hoort) wordt overgeheveld van Onderwijs naar Justitie. Minister Verdonk (veiligheid en integratie) wil een nieuw stelsel invoeren waarbij immigranten zelf verantwoordelijk worden voor hun inburgering. Nieuwkomers moeten al in het land van herkomst Nederlands leren en via de computer een inburgeringstoets afleggen. Immigranten die al in Nederland wonen maar nog niet voldoende zijn ingeburgerd, moeten zich voorbereiden op de inburgeringstoets en ontvangen van de overheid een bedrag als zij slagen. Gemeenten krijgen alleen voor speciale groepen (bijstandsgerechtigden, allochtone vrouwen met kinderen) een budget waarmee ze inburgeringscursussen kunnen inkopen. Ze mogen dat budget besteden bij roc’s, maar ook bij commerciële aanbieders. Individuele inburgeraars bepalen zelf of ze een cursus volgen en waar ze dat doen.
In 2006 wordt 76 miljoen uit het educatiebudget overgeheveld naar het ministerie van Justitie. Dat geld wordt nu besteed aan NT2-cursussen op het laagste niveau en die horen thuis bij de inburgering, luidt de redenering. Maar het inburgeringsbudget wordt door die overheveling niet groter, want het ministerie van justitie voert bezuinigingen van dezelfde omvang door. Er wordt dus 76 miljoen bezuinigd op educatie en inburgering samen.
Bovendien krijgen de dertig grootste gemeenten vanaf 2006 meer vrijheid bij de besteding van hun educatiemiddelen. Er wordt zeventig miljoen overgeheveld naar de brede doeluitkering sociale integratie en veiligheid. Dat geld hoeft niet meer besteed te worden aan educatietrajecten. Gemeenten kunnen er ook nieuwe lantarenpalen van aanschaffen als ze daarmee de veiligheid denken te verhogen. Als zij het geld wel besteden aan educatie, moeten zij die trajecten inkopen bij roc’s. Maar onder die verplichting kunnen zij volgens roc’s makkelijk uitkomen door een educatieactiviteit een andere naam te geven.
Alles opgeteld en afgetrokken: in 2003 moesten de gemeenten 413 miljoen euro bij de roc’s besteden (inburgering nieuwkomers en educatie), vanaf 2006 is dat nog maar 99 miljoen. Daarnaast is er nog zo’n 350 miljoen beschikbaar, maar daar zullen roc’s met commerciële aanbieders om moeten strijden.
[Kader 3]
Het salaris van de baas
De bazen in het beroepsonderwijs lopen alvast vooruit op de introductie van de nieuwe zakelijkheid. Minstens veertien bestuurders verdienen meer dan een minister. Zij ontvingen in 2003 een jaarsalaris van 130.000 euro of meer. Dat blijkt uit het jaarlijkse onderzoek naar de topinkomens in de (semi)-publieke sector dat het ministerie van Binnenlandse Zaken in januari publiceerde.
Met een gemiddeld jaarsalaris van 102.686 euro eindigen de roc-bazen in de subtop. Directeuren van academische ziekenhuizen voeren met een gemiddelde van 197.586 euro per jaar de ranglijst aan, op afstand gevolgd door universiteitsbestuurders die gemiddeld 121.944 euro verdienen. De bve-bestuurders staan dertiende op de ranglijst van negentien en moeten ook omroepbazen en hun collega’s in het hbo voor laten gaan. Maar ze zijn aan een inhaalrace bezig. De bve’ers gingen er in 2003 gemiddeld 7,9 procent op vooruit, terwijl het loon van de andere toppers maar met 6,6 procent toenam.
Volgens de Bve-raad vallen roc-bestuurders onder de cao-bve en kunnen ze maximaal 100.000 euro per jaar (einde schaal 18) verdienen. Daar kan nog een bijzondere vergoeding van maximaal vijftien procent van het jaarsalaris bijkomen. De Bve-raad heeft daarom geen verklaring voor het feit dat er veertien collegeleden zijn die meer dan 130.000 euro verdienen.
In hun jaarrekening moeten bve-instellingen publiceren wat hun bestuurders verdienen. Dat gebruik is nog niet erg ingeburgerd. Van de vijf grootste roc’s meldt alleen het Haagse Mondriaan de bestuurskosten. De twee collegeleden ontvingen in 2003 samen 240.210 euro, exclusief een uit de cao afgeleide vergoeding van 9719 euro. Of collegevoorzitter Jos Leenhouts een van de veertien bve-bestuurders is die meer dan 130.000 euro verdient, wordt niet aangeven. Melden dat het loon van een individuele bestuurder uitstijgt boven dat van een minister wordt pas in 2006 verplicht.
[Tabel]
Ontwikkeling van de financiële positie van roc’s 1998-2003
1998 1999 2000 2001 2002 2003
Aantal roc's 42 42 42 42 42 41
Resultaat in miljoen euro's 19,6 12,1 24,6 63 -10,2 0,4
Rentabiliteit 0,9 0,6 1,1 2,4 -0,4 0,01
Aantal roc's met een tekort 13 14 16 12 20 21
Solvabiliteit 54 53 51 52 52 51
Aantal roc's onder 20 1 1 1 0 1 2
Aantal roc's boven 50 23 23 18 21 22 22
Liquiditeit 1,41 1,31 1,28 1,26 1,17 1,1
Aantal roc's onder 1,0 10 14 15 14 15 21
Aantal roc's boven 2,0 10 9 9 7 8 6
Bron: Cfi/Bewerking Yvonne van de Meent
Toelichting
Resultaat: het totaal van overschotten en tekorten.
Rentabiliteit: de verhouding tussen het resultaat en de totale inkomsten.
Solvabiliteit: de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen. Een solvabiliteit van twintig procent wordt in het onderwijs als minimum beschouwd. Als de solvabiliteit hoger dan vijftig procent is, heeft een instelling een flink eigen vermogen (waarde van bezittingen en vrij vermogen) en/of nauwelijks geld geleend.
Liquiditeit: verhouding tussen geld in kas (inclusief kortetermijnvorderingen) en de kortetermijnschulden. Bij een verhouding van 1,0 zijn er precies genoeg liquide middelen om openstaande rekeningen te betalen. Een liquiditeit van 2,0 betekent dat er veel geld ongebruikt op de bank staat.
De foto's zijn gemaakt op het Albedacollege in Rotterdam.