- blad nr 7
- 2-4-2005
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Te weinig aanbod voor talentvolle leerling
De uitdaging
Is er sprake van verspilling van talent in Nederland?
Heleen Wientjes knikt heftig: “Ja, dat vind ik wel, volgens ons onderzoek is er nu nog maar op tien procent van de basisscholen aandacht voor leerlingen die begaafder zijn dan de rest. Ze hoeven niet direct hoogbegaafd te zijn, maar als ze het programma op hun sloffen af kunnen, dan moeten ze toch meer uitgedaagd worden. Dat is niet alleen voor de individuele leerling belangrijk, maar ik denk dat de samenleving hun talenten hard nodig heeft.”
Fons van Wieringen, voorzitter van de Onderwijsraad wil het niet direct ‘verspilling’ noemen: “Het gaat er vooral om dat we talenten beter activeren.”
In het advies ‘De stand van educatief Nederland’ van de Onderwijsraad ging het niet alleen om de veelbesproken ‘canon’, maar er stond ook een zorgwekkend hoofdstuk in over hoe er met getalenteerde kinderen wordt om gegaan. Leerlingen met bijzondere leercapaciteiten of talenten worden te weinig uitgedaagd tot leren, omdat de prioriteit in het onderwijs ligt bij toegankelijkheid en uniformiteit. Wientjes deed samen met ondermeer Pierre van Eijl, onderzoek naar het onderwijsaanbod aan de getalenteerde en begaafde leerling. In hun artikel ‘Het uitdagen van talent in onderwijs’(1) schrijven ze dat er weliswaar sinds 1990 een groeiende aandacht is voor de bovenkant van de leerlingen- en studentenpopulatie (zo’n tien procent), maar dat er heel veel talent verborgen blijft. Ze zijn beiden werkzaam bij het IVLOS, (Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden), Wientjes is van oorsprong Neerlandica en gespecialiseerd in ‘begaafdendidactiek’, Van Eijl is een scheikundige die zich toelegde op onderwijskundige vernieuwingen.
‘Die redden zich wel’
Zo’n tien procent van de leerlingen op de basisschool is begaafd of hoogbegaafd. Ze zijn niet alleen intelligenter dan de gemiddelde leerling, maar hebben daarnaast meer doorzettingsvermogen, kunnen problematiseren, vaak zijn het creatieve denkers. Wientjes: “Veel mensen denken ‘die redden zich wel’, de extra ruimte die er is gaat naar degenen die een achterstand hebben. De meeste redden het ook wel, die vinden buiten de school hun intellectuele draai. Dat biedt voldoende tegenwicht tegen het leren op school dat voor hen traag en saai is, maar er zijn er ook die dat tegenwicht niet hebben, sommigen trekken zich helemaal terug op zichzelf, raken geïsoleerd. Er zijn er ook die flierenfluitend de basisvorming doen, maar omdat ze nooit geleerd hebben om zich in te spannen, of om door te zetten gaat het mis, soms al op de basisschool. Dan moet er voor zo’n begaafde leerling een remedial teacher aan te pas komen om hem te leren leren.”
Wientjes geeft cursussen aan docenten hoe ze met de problemen en mogelijkheden van begaafde leerlingen om kunnen gaan en wat ze hen het beste kunnen aanbieden.
Hoe weet je of een leerling meer dan bovenmatig begaafd is?
Een test alleen is voor deze groep niet toereikend. Vooral voor allochtone leerlingen, die een andere taal en cultuur gewend zijn, voldoen die, volgens Wientjes, niet. Bij iemand die uitsluitend, achten, negens en tienen haalt mag de school zich gaan afvragen of die leerling wel genoeg te doen heeft. “Het aanbod moet moeilijk zijn, een uitdaging. Ik zeg altijd ‘leg de lat hóóg’, de moeilijkheidsgraad moet ook voor deze leerlingen liggen op de grens van weten en niet-weten. Dán hebben ze iets te leren, kunnen ze de stof niet zomaar aan en halen ze een 7 omdat ze echt aan het leren zijn.” Louter het aanbieden van extra taken of extra vakken is, volgens haar, niet voldoende, er is een andere didactiek nodig waarbij deze leerlingen zelf op onderzoek uit moeten: “Extra kennis is heel belangrijk, maar vaak wordt dat dan toch weer in hapklare brokken aangeboden, ze hoeven het alleen te consumeren.”
Strijd om de betere leerling
Op sommige basisscholen zijn ze al heel gewoon de bolleboosprojecten of de ‘plusgroepen’ waarin verrijkingsmateriaal aangeboden wordt. De onderzoekers kunnen niet precies zeggen hoeveel van de ruim 7000 basisscholen hun begaafde leerlingen passend onderwijs geven. De helft van de scholen is bekend met het verschijnsel, zo’n tien procent is er op de één of andere manier actief mee bezig, bijvoorbeeld door de leerlingen de kans te geven sneller door de gewone leerstof heen te gaan en daarnaast verdiepend materiaal aan te bieden. Er is echter nauwelijks onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de programma’s.
In de strijd om de betere leerling profileren steeds meer scholen in het voortgezet onderwijs zich met een speciaal aanbod, het explosief groeiende tweetalig onderwijs is daar een voorbeeld van. Er zijn inmiddels 60 scholen met een tweetalige stroom, toch ontdekten Wientjes en Van Eijl dat tweetaligheid alléén onvoldoende uitdaging biedt voor leerlingen die veel méér kunnen.“Na een jaar zijn ze een beetje gewend aan de Engelse taal en dan blíjft wiskunde toch gewoon te makkelijk voor hen en zal er alsnog compacter en met meer verrijkingsstof gewerkt moeten worden.”
Ongeveer een kwart van de scholen voor voortgezet onderwijs heeft een aanbod voor hun begaafde leerlingen. Wientjes vindt het opvallend dat de initiatieven die er genomen zijn voornamelijk uit de scholen zelf komen, of van de ouders en dat er vanuit de overheid naar verhouding weinig gebeurt: “Het is geen politiek thema en er is te weinig geld beschikbaar. Een overheid die de ‘kenniseconomie’ predikt zou zijn intellectuele talenten toch moeten koesteren. Onlangs nam de overheid wel het initiatief tot een landelijk netwerk van 25 scholen die een aanbod hebben voor begaafde leerlingen. De opzet hierachter is dat er voor hen altijd een school bereikbaar is, ook leerlingen die door hun hoogbegaafdheid problemen hebben kunnen er terecht.
Liever geen ‘studje’
Universiteiten kennen wel verdiepingsprogramma’s (honoursprogramma’s) maar Pierre van Eijl, die deze programma’s onderzoekt, ontdekte dat slechts een klein aantal studenten zich hiervoor opgeeft, gemiddeld is dat 0,7 procent van alle Nederlandse universitaire studenten. In het hbo is er helemaal niets voor de ambitieuze talentvolle leerling, terwijl er juist hier vaak geklaagd wordt over het lage niveau van de studie. Van Eijl: “Je ziet dat studenten het ergens anders in zoeken, ze doen bijvoorbeeld twee studies.”
Een andere drempel, waarom weinig studenten de verrijkingsprogramma’s doen, is dat ze niet graag doorgaan voor een ‘studje’ of een uitslover.
Dat probleem speelt natuurlijk ook op de basisschool en in het voortgezet onderwijs. Volgens Wientjes ligt het aan de sfeer en de cultuur op school of intellectuele verschillen normaal gevonden worden: “Steek de vlag uit als leerlingen meedoen aan de Olympiade, maak een tentoonstelling van de onderzoeksprojecten van de brugklassers. Laat zien dat je trots bent op de intellectuele prestaties van leerlingen. Voor docenten is het vaak ook heel leuk om weer eens op een heel andere manier met hun vak bezig te zijn. Zoals het project ‘de jonge onderzoekers’ dat samen met de universiteit wordt uitgevoerd. Leerlingen moeten zelf dingen uitzoeken en hun docenten staan vaak verbaasd wat daar allemaal uitkomt.” Ideaal zou het volgens Wientjes zijn als docenten al in hun opleiding “doordrenkt worden” van de noodzaak om hun aanbod te differentiëren: “Nu geef ik cursussen waarin docenten zelf verrijkingsmateriaal maken, meestal vinden ze dat erg leuk om te doen. Het is natuurlijk jammer dat ze dit niet in een eerder stadium geleerd hebben.” Van Eijl heeft gemerkt dat de honoursprogramma’s op de universiteiten ook als proeftuinen voor de rest van het onderwijs kunnen werken: “Dan zijn ze minder geïsoleerd bezig en kunnen de nieuwe methodieken overgenomen worden door anderen.”
Vrijstelling
Volgens de Onderwijsraad staat of valt maatwerk op school en dus aandacht aan begaafde leerlingen, met de kwaliteit van de leraar. Alleen door scholing en begeleiding kan hun professionaliteit vergroot worden. Fons van Wieringen vindt dat de overheid tot nu toe wel op deelaspecten goed is ingesprongen op speciale talenten. Zo zijn er in het voortgezet onderwijs scholen voor leerlingen die een topsport beoefenen (LOOT-scholen), voor muziek- en danstalenten zijn er van oudsher de vooropleidingen, maar voor de cognitieve talenten moet er ook aandacht zijn. “Wij hebben voorgesteld om bepaalde regels te verruimen. Er moeten uitzonderingen gemaakt kunnen worden in specifieke gevallen, bijvoorbeeld dat ze vrijstelling krijgen van bepaalde lessen of dat er extra faciliteiten komen voor examens.” De voorzitter van de Onderwijsraad vindt uitdrukkelijk dat een school open moet staan voor alle vormen van talent, tegelijkertijd constateert het rapport ‘De stand van educatief Nederland’ dat het nog erg ontbreekt in het onderwijs aan ‘diagnose-expertise’. Vorig jaar pleitte de raad ervoor om op iedere basisschool tenminste één persoon te scholen op het punt van hoogbegaafdheid. Van Wieringen: “Je kunt niet verwachten dat alle leerkrachten van elke school even deskundig zijn op dit punt. Maar nu zijn er vaak conflicten met ouders, omdat die bijvoorbeeld willen dat hun kind een klas overslaat. Dergelijke conflicten zouden niet nodig zijn wanneer er voldoende ervaring is binnen het team.”
(1) In de bundel Onderwijs in Thema’s van de Onderwijsraad staat de bijdrage ‘Het uitdagen van talent in onderwijs, Van Eijl, Wientjes, Wolfensperger en Pilot. (2005)
Boven het maaiveld
“Wij hebben nogal wat leerlingen die een stuk boven het maaiveld uitsteken. De gewone manier van lesgeven voldoet niet bij hen, hun interesse gaat veel verder dan de gangbare stof. Vandaar dat we Heleen Wientjes gevraagd hebben om hierover een cursus te komen geven. Ik vind dat deze leerlingen recht hebben om les te krijgen op het niveau waarop ze zitten.” Dat zegt Harry Palmen, docent Nederlands op de Trevianum scholengroep in Sittard. Het gymnasium van deze havo/vwo school met 3000 leerlingen, kwam dit jaar bij Elsevier als één van de drie beste scholen uit de bus. Palmen begint al in de brugklassen verrijkingsopdrachten te geven, hij is bezig met het opzetten van een onderzoeksbureau dat door leerlingen wordt gerund. Het allereerste onderzoek, dat begin maart werd gehouden, ging over de bereikbaarheid van de school. Eigenlijk had hij voor deze opdracht 6 leerlingen op het oog die voor alles hoge punten halen: “Maar iedereen wilde meedoen, dus heb ik deze 6 de leiding gegeven.”
Trevianum kent al een muziek- en een sportstroom, maar Palmen hoopt ook op een ’hoogbegaafdenstroom’. Hij voelt zich erg betrokken bij deze leerlingen, omdat zijn eigen zoon in het verleden cum laude slaagde voor het atheneum, zonder dat hij ooit een boek had open gedaan: “Ik zag wel dat hij niets deed, maar je legt je dan neer bij de mensen van school die zeggen dat het wel goed gaat. Bij de School voor Journalistiek in Tilburg, heb ik hem na een jaar weggehaald, hij had een zware depressie, het niveau was veel te laag voor hem. Hij is overgestapt naar sociale geschiedenis.” Ook andere collega’s op Trevianum maken hun verrijkingsopdrachten zelf, Palmen geeft toe dat er veel van zijn vrije tijd in gaat zitten: “Dat geldt ook voor de anderen, maar ik heb het er voor over, want de leerlingen vinden het nu fijn op school.”
Bollebozen
Op de openbare jenaplanbasisschool Wittevrouwen in Utrecht heeft elke groep zeker twee kinderen die ver boven de rest uitsteken, met 21 groepen kom je dan toch nog aan een behoorlijk aantal. Directeur Jaap Nelissen: “Wij vonden dat we, net als voor de leerlingen die niet goed meekomen, een aanbod moesten hebben voor deze groep.” Dat aanbod varieert nu rekenlessen uit de Bolleboosmap (uitgeverijen Zwijssen en Kluwer) tot lessen over het heelal. Mathilde Greven begeleidt de groepjes die één keer per week een speciaal project doen: “Het zijn kleine groepen van maximaal 6 leerlingen, ze leren omgaan met de rekenmachine, aan de hand van het verhaal van Jules Verne ‘Reis Om de Wereld’ doen we allemaal opdrachten zoals ‘hoe bereken ik de omtrek van de aarde?’ Voor groep 8 doen we veel aan filosofie, dan praten we over het heelal, dat vinden ze erg leuk. Verder spelen we scènes uit Hamlet.” De wekelijkse projecten zijn niet genoeg voor de begaafde tot hoogbegaafde leerlingen weet Greven, ook tijdens de gewone lessen wordt de leerstof voor hen compacter gemaakt en krijgen ze extra opdrachten: “Ik merk wel dat sommige leerlingen een hele slechte werkhouding hebben omdat ze veel te lang onder hun niveau zaten. Als ik ze iets moeilijks voorleg, kijken ze me glazig aan en beginnen te gapen, ze zijn het niet gewend om zich in te spannen.” Door de methodegebonden lessen is het volgens haar wel moeilijk om voor deze leerlingen steeds weer nieuwe uitdagingen te bedenken: “Ze moeten eigenlijk op een 7 gemiddeld gehouden worden, maar ze halen aan de lopende band tienen.” Greven heeft niet een speciale cursus gevolgd: “Nee, maar ik heb er veel over gelezen. Ik ben nu wel bezig met een cursus over ‘meervoudige intelligentie’.”
Toptoets
De Toptoets wordt dit jaar alweer voor de negende keer gehouden. Leerlingen die net de Cito-toets gedaan hebben en daarbij het maximum van 550 punten haalden, kunnen hieraan meedoen. Projectleider Theo Capel nam in 1995 het initiatief: “Ik werkte bij de schoolbegeleidingsdienst in Delft en maakte daar altijd alleen ellende mee rond hoogbegaafde leerlingen, ouders die van alles wilden, maar daarover ruzie hadden met de school. Daarom wilde ik iets positiefs doen voor deze groep. Ze zitten er in groep 8 toch vaak voor spek en bonen bij, voor hen is dit een interessante uitdaging.” Het initiatief werd overgenomen door de Stichting Cognitief Talent, de toets wordt gemaakt door het Cito en is tevens een wedstrijd, want er zijn twee rondes en drie winnaars. Vorig jaar deden er 1000 leerlingen mee, dit jaar zijn de folders naar alle basisscholen gestuurd: “Meestal is het zo dat iemand van school de slimste leerling vraagt mee te doen. Als hij of zij wint is de héle school trots.” Capel denkt dat de deelname aan de toets geen al te grote vlucht zal nemen, aangezien het maar om 3 tot 4 procent van de leerlingen gaat die de maximumscore van 550 punten haalt bij de Cito-toets. Méér info: www.toptoets.nl
Het aanbod
In Jet-net,(Jongeren- en technologienetwerk) werken 8 bedrijven samen met 75 scholen (onder begeleiding van ondermeer de Stichting Weten). De bedoeling is het onderwijs in de bèta- en technische vakken aantrekkelijker te maken, maar begaafde leerlingen uit de basisschool kunnen hier ook al aan meedoen, zo blijkt uit de website: www.jet-net.nl
In Leiden nemen 16 scholen deel aan een Pre-University College Leiden, begaafde en ambitieuze leerlingen uit klas 5 en 6 kunnen één dag per week bij verschillende studierichtingen een speciaal programma volgen.
Acht gymnasia hebben gezamenlijk een methodiek ontwikkeld om begaafde leerlingen te begeleiden: het POP-project (Persoonlijk Ontwikkelings Plan).
De Stichting Perdix heeft een cursusaanbod voor leerlingbegeleiders speciaal gericht op de hoogbegaafde leerling met gedragsproblemen.
Alle informatie over bovenstaande projecten is te verkrijgen bij het Landelijk Informatiecentrum (Hoog)begaafdheid. Het CPS en het SLO geven zowel voor het primair- als voor het voortgezet onderwijs informatie: www.infohoogbegaafd.nl