- blad nr 6
- 19-3-2005
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Onderwijsniveau kan verder omhoog
We gaan voor goud’
“We zitten internationaal gezien al in de kopgroep. Dan kan je verschillende dingen doen: het ministerie kondigt aan dat ze geen enkel nieuw beleid meer bedenkt, want het gaat immers uitstekend. Of we gaan voor goud en zoeken naar mogelijkheden om het onderwijs verder te verbeteren.” Voor Wim Meijnen, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, is de keuze simpel: we gaan voor goud. Het onderwijs kan nóg beter.
Hij zei dat op een discussiemiddag van onderwijswetenschappers, waar het internationaal vergelijkende Pisa-onderzoek naar de schoolprestaties van vijftienjarigen onder de loep werd genomen. Nederland kwam daar uit met topprestaties: vierde met lezen, negende bij wiskunde, achtste bij natuurwetenschappen. Iedere keer in de top tien van best presterende landen. Bovendien scoren onze achterstandskinderen opvallend hoog: blijkbaar krijgen zij in Nederland meer kennis mee dan in andere landen.
Na de publicatie eind vorig jaar werd het hier echter opvallend stil rondom het rapport. In het buitenland is dat wel anders; vaak zorgt het onderzoek voor felle debatten. In Duitsland, dat al jaren laag scoort, woeden discussies over hoe het toch kan dat Duitse scholieren beroerd uit de bus komen met taal, wiskunde en natuurwetenschappen. In andere landen worden regionale verschillen uitgeplozen: waarom doet Vlaanderen het goed en Wallonië maar matig, wat is het geheim van de hoge prestaties in Noord-Italië?
Competitie
Volgens hoogleraar Roel Bosker van de Rijksuniversiteit Groningen is die speurtocht naar het waarom van goede prestaties voorlopig onbegonnen werk. In het algemeen geldt namelijk dat hoe beter de resultaten, hoe geïntegreerder het onderwijs, een beetje middenschoolachtig. Een aantal landen waar het voortgezet onderwijs verschillende schoolsoorten kent, zoals Nederland, doet het echter ook uitstekend. Heeft het misschien te maken met de competitie tussen openbare en bijzondere scholen, die uit concurrentieoverwegingen hoge kwaliteit nastreven? Ligt het dan misschien aan de basisschool? Dat kinderen met zoveel bagage binnenkomen, dat ze daardoor ook met vijftien jaar op de Pisa-toetsen nog goed scoren. “Er bestaat niet één concept dat goed werkt voor alle leerlingen”, constateerde Wim Meijnen. Variatie in scholen is goed, is zijn conclusie, en juist die is in Nederland royaal aanwezig. “De overheid moet niet langer proberen op het systeem te sturen, dus dwing scholen niet tot het studiehuis.” In plaats daarvan moet de overheid sturen op opbrengsten, op goede resultaten van leerlingen en scholen. En dat heeft consequenties. “Scholen die achterblijven moeten directief begeleid worden. Ik wil ze niet meteen onder curatele plaatsen, maar tien tot vijftien procent van de scholen doet het niet goed. Dat heeft voor de leerlingen die daar zitten ernstige gevolgen. Die scholen moet je aanpakken.”
Kritisch
Volgens Meijnen is een flinke niveauverbetering van het Nederlands onderwijs nog mogelijk. Bijvoorbeeld door te investeren in voorschoolse educatie en een koppeling met de basisschool te maken. “Onderzoek laat zien dat voorschoolse educatie ook nog betere prestaties levert op vijftienjarige leeftijd. Vve loont.” En investeer in de leraren, benadrukte Meijnen, want hun professionaliteit is cruciaal voor goede schoolprestaties.
Juist op dat punt leek Nederland het slecht te doen. In het Pisa-onderzoek is schoolleiders naar een oordeel over hun lerarenkorps gevraagd en de Nederlandse directeuren waren het meest kritisch van alle landen over hun personeel. Ze hebben lage verwachtingen van het kunnen en kennen van docenten, vinden dat ze te weinig individualiseren en zestig procent vindt dat leerkrachten veranderingen in het voortgezet onderwijs dwarsbomen. Er zou wel eens sprake kunnen zijn van een flinke kloof tussen leraren en directies in het voortgezet onderwijs, want uit een onderzoek onder AOb-leden blijkt dat docenten op hun beurt de directie eerder als stoorzender dan als inspiratiebron ervaren.
Misschien, zo suggereerde onderzoekster Sarah Blom, heeft dat te maken met de schaalvergroting. Tijdens cursussen voor schoolleiders merkte zij dat bijvoorbeeld Finse directeuren dichtbij het lesgeven zelf staan, terwijl hun Nederlandse collega’s nauwelijks meer betrokkenheid hebben bij wat er in de klas gebeurt. Dat is mogelijk, beaamde Pieter Hettema van de vereniging van schoolleiders VVO, maar het kan ook een voordeel zijn dat directeuren met een kritische blik van wat grotere afstand naar de school kijken. Een echte verklaring voor de mogelijke kloof tussen managers en personeel is er echter niet. Tijd dus voor een nieuw onderzoek om het mogelijke onbehagen tussen directeuren en docenten beter in kaart te brengen. “Want met zo’n uitslag over het vertrouwen in het personeel zou een voetbaltrainer allang zijn opgestapt”, aldus Jo Kloprogge, Sardes-directeur en organisator van de bijeenkomst.