• blad nr 3
  • 5-2-2005
  • auteur M. Kircz 
  • Opinie

 

Eens bevoegd is niet altijd bekwaam

Het gestolde bevoegdheidsstelsel wordt op de proef gesteld. De maatschappelijke ontwikkelingen maken het nodig dat stelsel aan te passen aan de snel veranderende omstandigheden in en buiten het onderwijs. AOb-hoofdbestuurder Marten Kircz belicht de positieve kant van de Wet op de beroepen in het onderwijs, vooral voor het vmbo.

Binnen een paar jaar gaat een grote groep leraren met pensioen. Relatief veel personeelsleden verlaten het vmbo voor andere onderwijssectoren. Vooral in de grote steden worstelen vmbo-scholen met de invulling van vacatures. Ruim dertig procent van de starters verlaat het onderwijs binnen de vijf jaar. Veel studenten aan de lerarenopleiding maken die niet af of kiezen na het halen van het diploma voor werk in een andere sector.
Het gestolde bevoegdheidsstelsel wordt op de proef gesteld, zeker in het vmbo. Uit de alom positief ontvangen plannen van de taakgroep Vernieuwing basisvorming volgt binnenkort een nieuwe invulling van het programma voor de onderbouw. Leerlingen worden dan niet meer geconfronteerd met vijftien solisten die ieder hun eigen vak aanbieden, maar met een kleiner aantal docenten die in teams in leerdomeinen werken. Voor vmbo-leerlingen een toe te juichen ontwikkeling omdat zij de zin van een vak beter leren inzien als het wordt ingebed in het grotere geheel van een opleiding die naar een herkenbaar doel leidt. Zo zullen lessen Engels die ingevlochten zijn in een curriculum van een afdeling ‘handel en administratie’, meer effect hebben dan losse lessen. Op een groot aantal vmbo-scholen zijn al kernteams ontstaan, waarbij de formaliteiten van de bevoegdheidsregelingen zonder problemen terzijde zijn geschoven. Een ooit behaalde bevoegdheid is geen garantie meer voor een permanente geschiktheid voor de beroepsuitoefening in het vmbo.
De Wet op de beroepen in het onderwijs (BIO) nu is de formele verankering van het principe: eens bevoegd is niet altijd bekwaam. De wet biedt een instrument om bekwaamheden te onderhouden in goed overleg tussen werknemer en werkgever. Er komt een einde aan de relatieve vrijblijvendheid: leraar en school mogen eisen aan elkaar stellen. De school vraagt om actieve participatie, de leraar mag verwachten dat hem de ruimte wordt gegeven om dat te realiseren. Die afspraken worden uitgewerkt in het bekwaamheidsdossier, een document dat door de onderwijsinspectie kan worden ingezien.

Breekijzer
Wat is bij deze ontwikkeling de rol van de vakorganisatie? Die is vrij simpel: zij moet in het overleg over de brede kaders van de cao ervoor zorgen dat de ruimte voor het onderhoud van de bekwaamheid wordt vastgelegd. Dat kan ook nu al, maar de ruimte ervoor wordt niet volledig benut. Te veel middelen komen niet bij het personeel terecht, van het nascholingsbudget blijft vaak een flink deel ongebruikt. Het onderhouden van het bekwaamheidsdossier moet een deel worden van de arbeidsvoorwaarden en expliciet in de cao worden opgenomen. De mogelijkheid daartoe is er: artikel 10 van de cao voor het voortgezet onderwijs, handelend over nascholing, kan zonder problemen verbreed worden.
De Wet BIO kan het breekijzer zijn waarmee de begrenzing van het vaklokaal wordt verruimd. Geen van de deelnemers aan de schoolorganisatie kan zich onttrekken aan de gezamenlijke afspraken over vorm en inhoud van het onderwijs. Dat zal de leerlingen uiteindelijk ten goede komen. Er zit ook een risico aan de wet: de voortdurend benadrukte positie van schoolleiders als ‘onderwijskundig leider’. De grotere autonomie van de school vraagt heel veel van besturen en directie en de verleiding om ook in te grijpen in de professionele autonomie van de docent valt te begrijpen. Maar innovatie en kwaliteit moeten in de eerste plaats bewaakt worden door de mensen die het werk doen.
In dat kader kan en moet de professional worden aangesproken door zijn directe collega’s, net zoals dat gebeurt in de gezondheidszorg en bij de rechterlijke macht. Het gaat dan om inhoudelijke intervisie en marginale supervisie van de directie. Van de docent mag worden verwacht dat hij aangeeft wat nodig is om zijn bekwaamheid te onderhouden. De directie moet de condities scheppen waarbinnen het werk van de docent wordt versterkt, maar ook het welzijn van die werknemer voorwerp van zorg is.
Als alle partijen in het vmbo in open en reëel overleg, met erkenning van ieders professionaliteit, de kansen benutten die de Wet BIO biedt, kan het vmbo de schoolsoort worden waar innovatie een vanzelfsprekend speerpunt van het beleid in elke school is. Daarmee kan het vmbo worden wat het moet zijn: een echt alternatief met een breed maatschappelijke draagvlak.

{kader}
Op 20 juni 2004 verscheen een wijzigingswet in het Staatsblad: de Wet op de beroepen in het onderwijs. In de preambule staat dat het ‘voor de kwaliteit van het onderwijs, voor de kwalificatiestructuur en voor een moderne en open arbeidsorganisatie op het gebied van het primair en voortgezet onderwijs alsmede op het gebied van de educatie en het beroepsonderwijs wenselijk is, bekwaamheidseisen voor onderwijsgevenden vast te stellen, mogelijk te maken dat dergelijke eisen eveneens worden vastgesteld voor nauw met het onderwijs verbonden leidinggevende en ondersteunende werkzaamheden en te bevorderen dat de betrokkenen hun bekwaamheid onderhouden’.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.