- blad nr 3
- 5-2-2005
- auteur . Overige
- Vakwerk
Begeleidingsprogramma voor nieuwe leraren
Zij praten, ik luister’
Henk van Amerongen was 36 jaar geleden zelf een startende onderwijzer. Toen de bovenschoolse directie openbaar onderwijs in Hilversum hem in 2001 voorstelde startende leraren te gaan coachen, was hij direct enthousiast. “Ik ben een echte onderwijsman, voor mij voelt het als eigenbelang om het onderwijs goed te houden.”
Hij waardeert het lef van de directie om veel geld te stoppen in het begeleiden van starters. Er kwam een intensieve training van EDI Midden-Nederland voor de mentoren. Draaiboeken werden ontwikkeld voor de startende leraar, de mentor en de schoolleider. (Er is dankbaar gebruikgemaakt van ‘Klaar voor de start’ van het Schooladviescentrum Utrecht.) Het programma kreeg de naam Mentoring. Er is bijna een volledige baan vrijgemaakt die verdeeld over vier mentoren. Zij zijn allen werkzaam in het Hilversumse basisonderwijs. Van Amerongen is intern begeleider op de school van het asielzoekerscentrum Crailo.
De investering is wijs omdat de babyboomers de komende vijf jaar massaal het onderwijs gaan verlaten. Iedere geschikte leraar die binnenkomt, moet je binnenhouden, vindt Van Amerongen.
Hulp aan de nieuwe leraar bestaat in de gemeente Hilversum uit interne begeleiding, door de school zelf, en externe begeleiding in de vorm van verplichte deelname aan het mentorprogramma. De begeleidingsovereenkomst moet ondertekend worden door leraar, mentor, locatieleider en bevoegd gezag om de verantwoordelijkheden van iedere betrokkene te onderstrepen.
Aanvangsproblemen
In het begin vinden enthousiaste leerkrachten alles leuk. Overal willen ze aan meedoen, ook aan alle buitenschoolse activiteiten. Maar het moet wel leuk blijven. In het draaiboek staan suggesties hoe de starter kan worden ontzien. Van Amerongen: “Ik zie dat ze in de kerstvakantie moeten bijslapen. En in maart zijn ze zó moe…”
In de toptien van aanvangsproblemen staat tijdmanagement bovenaan. De verhouding tussen werktijd en vrije tijd komt gedurende het eerste jaar steeds schever te liggen. Verder kost het beginners veel energie om een plek te vinden in de schoolcultuur. Ze moeten de bestaande afspraken binnen school leren kennen en voelhoorns zien te ontwikkelen voor de onderlinge verhoudingen van collega’s. Daarnaast kost het moeite een eigen routine in het lesgeven op te bouwen.
Tijdens de eerste twee maanden van de mentoring ligt de nadruk op de algemene en persoonlijke problemen. Het enthousiasme van september wordt soms door praktische ‘tegenvallers’ gesmoord. Bijvoorbeeld de omgang met ouders, de collega’s, de zorgleerlingen, de registratie van leerlinggegevens. In de loop van het schooljaar richt de begeleiding zich steeds meer op onderwerpen als orde houden in de groep, motiveren van leerlingen en de beoordeling van leerlingprestaties.
Iedere starter krijgt een keer in de drie weken bezoek van een mentor. Van Amerongen benadrukt dat de kracht van het programma zit in de vertrouwelijkheid van de gesprekken en de onafhankelijkheid van de mentor. “Wij vinden het van wezenlijk belang dat de mentor niet zelf werkt op de school waar hij beginners begeleidt. Wij geven ook geen beoordeling.”
Een onafhankelijke mentor kan de starter helpen prioriteiten te stellen. Van Amerongen merkt dat men nogal eens geneigd is vrije tijd op te geven. Hij kan adviseren toch maar lid te blijven van dat zangkoor: “Je hebt het nodig om er iets naast te doen.” De gesprekken zijn zeker niet eenzijdig te noemen: “Zij praten. Ik luister, reflecteer en adviseer. Als mijn advies wordt overgenomen, is dat hun keuze. Het is dan hun eigen idee geworden.”
58 blijvers
Een starter kan ook steun vinden in gesprekken met medestarters. Regelmatig worden ervaringen uitgewisseld in een netwerkgroep. De meesten vinden de begeleiding zinvol. Opvallend is dat één op de vier zelfs in het tweede werkjaar graag een verlengde mentoring wil.
De mentoren komen om de zes weken bij elkaar. Er is een ‘mentortheek’ opgezet en praktisch materiaal ontwikkeld. Ook andere besturen hebben al veel interesse getoond in de Hilversumse werkwijze.
In de vier jaar dat Mentoring bestaat, zijn zestig starters begeleid. Twee zijn er inmiddels gestopt. “De andere 58 zijn blijvers, al dan niet in Hilversum”, verwacht Van Amerongen.
Voor hemzelf gaat er de komende tijd het nodige veranderen. Het AZC waar hij nu werkt, sluit eind deze maand de deuren. Waarschijnlijk gaat hij daarna naast de mentoring van starters, de coaching en begeleiding op andere terreinen uitbreiden. Hij heeft daartoe diverse voorstellen ingediend. bijvoorbeeld preventief coachen van leraren die dreigen uit te vallen of het begeleiden van leraren in een reïntegratietraject. “Er is nog een wereld te winnen.”
Er is een enquête gehouden onder de deelnemers van het mentoringprogramma. Enkele uitspraken daaruit. ‘Erg leuk om zo mijn loopbaan te beginnen. Ik vind het leuk dat jij mijn mentor bent en je geeft me het gevoel dat ik het kan.’ ‘Ik vind het waardevol dat elke nieuwe leerkracht binnen dit bestuur een jaar een vraagbaak heeft. Ik heb het als steun ervaren en niet als controle.’ ‘Ik vond de mentor van tevoren flauwekul. Ik had al zeventien jaar ervaring. Toch ben ik blij dat de mentor mij dit jaar heeft gevolgd.’