- blad nr 3
- 5-2-2005
- auteur T. van Haperen
- Column
Het kanon
Op het eerste gezicht een aardig idee. Centraal vastleggen van leerinhoud is winst in een tijd waarin de zeggingskracht van eindtermen afneemt, de ruimte voor scholen groeit en de lobby voor afschaffing van het centraal schriftelijk examen aan kracht wint. Als dat zo doorgaat, mag de leraar straks zijn eigen hobby onderwijzen, want het enige dat nog lijkt te tellen is het leerproces. Deze tendens is inderdaad slecht voor de maatschappelijke cohesie. Met dank aan de Onderwijsraad verschuift de aandacht eindelijk weer eens in de richting van wat en waarom kinderen leren.
Maar dan komen toch de twijfels. Dat verhaal van Nederland, die culturele canon, in tijden van globalisering… is dat niet wat dorps? Ik ben opgevoed met Brel, Céline en Proust. Mijn kinderen verveel ik met Dylan en Reed. Zij luisteren naar boze brothers from the hood. Ik volg de Amerikaanse basketbalcompetitie, moet lachen om Seinfeld en Frasier… kortom, wat nou Nederland? Waarom meer vaderlandse geschiedenis? De oudheid, de Franse revolutie, de Amerikaanse burgeroorlog en de holocaust lijken me eerlijk gezegd relevanter als referentiekader voor ons burgerschap. Bovendien, wat inwoners van dit land bindt is de taal en de wijze waarop we onze welvaart verdienen. Daar zit de uitsluiting, dé desintegratie. Vanaf die constatering is kinderen opvoeden tot economisch beslisser, in een samenleving met ontelbare keuzemogelijkheden, gedomineerd door eigen verantwoordelijkheid, urgenter dan de culturele canon. Of neem die taal. Mijn leerlingen denken dat de ABN Amro belegt verkeerd gespeld is… ‘moet met een d, meneer’. Ook lekker voor de samenhang, als iedereen zijn eigen spelling hanteert. Amsterdam slibt dicht door verkeer… Amsterdam slipt dicht door verkeer… het scheelt nogal.
En dan is er nog iets. De keuze voor de canon is niet alleen inhoudelijk dubieus, maar ook praktisch moeilijk uitvoerbaar. Lerarenopleidingen hebben kennis vervangen door vaardigheidskunstjes. Een boek lezen is een weinig populaire vrijetijdsbesteding. Dus kan het historisch besef van jonge docenten niet anders dan matig zijn. Ik hoor de brainwave al tijdens de sectievergadering. “Hé, gehoord van die canon?” “Ja goed hè, dat kanon… doen, zou ik zeggen… werkstuk, groepjes, samenwerkend leren, logboekje erbij, lekker aan de slag, integreren met economie, de kosten van de wapenindustrie.” Waarna het gesprek moeiteloos switcht naar studieplanners, toetsweken, vervelende leerlingen en intervisie.
Even geleden kreeg ik een pakketje zwaar bier cadeau. Op het karton stond: het kanon. Heerlijk spul, het schoot me in slaap. Uren later werd ik met een knal wakker… droge mond, klopgeesten onder mijn schedeldak… die culturele canon gaat leraren nog veel koppijn bezorgen.