• blad nr 2
  • 22-1-2005
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

Het nieuwe leren 

Weg met de saaiheid

Leerlingen vinden school vaak saai en vervelen zich. Daarom moet het onderwijs op zijn kop: het moet uitgaan van de vraag van de leerling. Naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek ‘Zin in school’ stond in het Onderwijsblad van 4 december een interview met orthopedagoog prof. dr. Luc Stevens. Hij nam het in dat interview ook op voor de Iederwijsscholen, waar leerlingen kunnen leren wat ze zelf belangrijk vinden.
Er kwamen kritische reacties binnen op zijn ideeën. Interessant genoeg om in dit nummer weer aandacht te schenken aan ‘het nieuwe leren’.

Professor onwaardig
De naar eigen schrijven ‘ouderwetse gepensioneerde schoolmeester’ L.C.M. Boelsma trekt fel van leer:

‘Ik vind het interessant kennis te nemen van zo’n nieuw “geloof”, maar ik maak er wel bezwaar tegen dat Stevens kennelijk denkt dat de lezers van het Onderwijsblad alles kritiekloos voor waar aannemen. Ter staving van de successen van het nieuwe leren, zegt hij dat leerlingen van een school in Lichtenvoorde maar liefst na vier maanden Duitse les de taal van onze oosterburen konden spreken. Dat verbaast mij geenszins. Als een jongetje uit Lichtenvoorde op de fiets stapt en naar het zuiden rijdt, is hij na een half uurtje in Duitsland. Als we er dan ook nog rekening mee houden dat het dialect in en om Lichtenvoorde behoorlijk Deutsch angehaucht is, verliest het resultaat waarmee Stevens schermt volledig zijn bewijskracht. Eerlijk gezegd vind ik zo’n bewijsvoering een professor onwaardig.
Ik durf de uitdaging aan om leerlingen uit Kerkrade binnen twee(!) maanden Duits te leren praten, hetgeen echter niets zegt over mijn onderwijskwaliteiten noch over de intelligentie van die leerlingen uit deze stad, die praktisch op de grens van Nederland en Duitsland is gesitueerd.’

Goede voetballer
Leraar Kees de Graaf uit Heerjansdam zet vraagtekens bij Stevens’ uitgangspunt dat de wens van de leerling bepalend moet worden. Ook werpt hij diens verwijt dat leraren nooit iets willen veranderen verre van zich:

‘Ik mag toch aannemen dat de vrije wil van de leerling beperkt blijft tot het onderwijsaanbod. Dat wordt immers bepaald door wat men maatschappelijk noodzakelijk acht. Vanuit het beperkte perspectief van de leerling is niet te overzien wat maatschappelijk nodig is. Als een leerling ongemotiveerd is, dan is dat zeker een signaal waarop gereageerd moet worden. Er is ook niets op tegen dat de leerkracht dan bij zichzelf en bij zijn collega’s te rade gaat wat hij kan doen om deze ongewenste situatie te veranderen. Maar de juiste reactie kan ook zijn de leerling erop te wijzen dat het moment is aangebroken om zijn wilskracht aan te spreken. Als je een goede voetballer wilt worden, moet je trainen; voor het leren van een taal is een basale woordenschat en enige kennis van de grammatica onmisbaar. Het is aan de leerkracht om de niet–gemotiveerde leerling duidelijk te maken dat hij er goed aan doet te investeren in kennis en vaardigheden. Bepaald merkwaardig vind ik het dat Stevens niet kritischer is over het feit dat niet het werkveld, maar schoolleiders om dit nieuwe onderwijs vragen. Naar zijn mening gaat het altijd zo dat leraren zich verzetten tegen veranderingen uit angst voor allerlei onzekerheden. Als je dat vooroordeel hebt, dan lijkt het me voor een objectieve beschouwing evenzeer noodzakelijk schoolmanagers te zien als van het onderwijs vervreemde mensen die hun dienstverlenende rol in toenemende mate uit het oog verliezen. Is het geen tijd voor een echt gesprek zonder manipulaties en diskwalificaties tussen de werkers in en de beschouwers van het onderwijs?’

Chaos
J.P. Kwestro uit Zutphen vindt dat de voorstanders van het nieuwe leren een te optimistisch mensbeeld hanteren:

‘Het volgende citaat uit het interview geeft duidelijk aan hoever Stevens van de werkelijkheid afstaat: “Een kind van zes jaar komt om te leren lezen, die wil niets liever. Maar als je er 26 hebt, heb je 26 verschillende leertrajecten. Die ken je niet als leraar. Dus moet je die kinderen de vrijheid geven om in een rijke leeromgeving te laten zien wat ze het beste kunnen. Deze jonge kinderen zijn prima in staat hun eigen leerproces te sturen.”
Is het niet vreemd dat Stevens – die nooit moe wordt de verschillen te benadrukken – ervan uitgaat dat al die 26 kindertjes niets liever willen dan leren lezen? Als dat zo is, doet juf er natuurlijk heel goed aan gezellig klassikaal aan dat verlangen tegemoet te komen en het leerproces te sturen met behulp van de leesmethode. Dit sluit niet uit dat ze rekening houdt met verschillen. Het is te hopen dat Stevens in een rijke leeromgeving via een kantelproces weer met beide benen op de grond komt te staan. Dit nieuwe leren leidt – bedoeld of onbedoeld – tot een chaos.’

Gloeiende hekel
Jo Nelissen van het Freudenthal-instituut in Utrecht vecht de stelling van Stevens aan dat de vraag van de leerling bepalend moet worden:

‘Stel, een kind heeft grote tegenzin in de vakken tekenen en rekenen. Dat kan, en op den duur baalt het kind van de hele school. Dat kan ook en in zo’n geval is het soms verstandig voor het kind een andere school te zoeken. Stel dat een Iederwijsschool de ouders aanspreekt, want de kinderen hebben het daar, vertelt een buurmeisje, allemaal erg naar hun zin. Ze kiezen die Iederwijsschool, want daar kan hun kind weer opbloeien en zal het zelfs plezier kunnen krijgen in tekenen en rekenen, zo verwachten deze ouders. Zo gezegd, zo gedaan. Het kind bezoekt die school maar heeft uiteraard nog steeds een gloeiende hekel aan beide vakken. Wat gebeurt er nu? Wel, de Iederwijzers zijn een vat vol begrip en de voor het kind onveilige vakken worden tot nader orde van het persoonlijke lesrooster geschrapt. Kind natuurlijk blij, gaat weer graag naar school want het is weer ‘leuk’. Terwijl de ouders ervan uitgingen dat het kind extra gestimuleerd wordt, gebeurt het tegendeel. Wat de problemen van het kind zijn en waarom het in die vakken zwak is, komen de ouders niet te weten want met die vakken hoeft het kind zich niet meer bezig te houden.
Elke orthopedagoog kent de gulden regel: waar het kind zwak is, moet de didactiek sterk zijn. Bij Iederwijs geldt de regel: indien een kind ergens zwak in is (geen zin in heeft) wordt dat ten volle gedoogd. Wie daar op wijst, maakt zich echter, in de woorden van Stevens, schuldig aan “oud denken”. Ik moet van Stevens begrijpen dat men zich in de Amerikaanse Sudbury Valley school (het enige voorbeeld dat telkens maar weer opduikt) aan dat oude denken heeft weten te ontworstelen. Het zijn daar zelfs “heel andere mensen” geworden. Ik heb aan Amerikaanse collegae (zoals Romberg en Webb van de University of Winconsin) wel eens gevraagd hoe ze aankeken tegen die successen in die Valley. Vrijwel niemand had er ooit van gehoord.
Stevens zegt “de leraren zie je alleen maar rennen” en de leerlingen “lopen met de handen in de zakken uiterst ontspannen door de school”, want in de traditionele school voelen “leerlingen zich nergens verantwoordelijk voor”. Ik heb deze uitspraak aan leraren voorgelegd en het kostte hun moeite zich aan dat praktijkbeeld te spiegelen. Op welke feiten baseert Stevens deze uitspraak?
Natuurlijk ben ik het geheel eens met Stevens dat de basale vraag luidt wat voor mensen je als school van je leerlingen wilt maken. Inderdaad zijn daar zijn talloze antwoorden op en het is de moeite waard daarover discussie te voeren.’

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.