• blad nr 2
  • 22-1-2005
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

 

Twaalf vragen over de lumpsum

Op 1 augustus 2006 krijgen alle basisscholen lumpsumfinanciering. Deze nieuwe manier van bekostiging stelt hogen eisen aan directies en medezeggenschapsraden, waarschuwt de AOb. Maar waarom deden we dit ook alweer? En wat levert het op? Twaalf prangende punten op een rijtje.

Lumpsumfinanciering, waar is dat goed voor?
Voor de autonomie van de scholen. Schoolbesturen krijgen van oudsher verschillende potjes geld van de overheid. Er is een potje voor het personeel, een potje voor materiële zaken en het potje van het ‘schoolprofielbudget’. Uit dat laatste potje moet een school zo’n beetje alle leuke en minder leuke extra’s betalen - van de leraar in opleiding (lio) tot de nascholing. Die potjes verdwijnen straks: school krijgt één zak met geld, en kan die naar eigen inzicht besteden. Aan bijvoorbeeld extra aandacht voor achterstandsleerlingen, klassenverkleining of cultuurprojecten.

Dat is mooi: meer vrijheid voor hetzelfde geld.
Ja en nee: wel meer vrijheid, maar de hoeveelheid geld die een school ontvangt kan veranderen. Want de hoogte van de lumpsum wordt op een totaal andere manier berekend dan de hoogte van het huidige bedrag. En door die nieuwe berekeningsmethode kan het totaalbedrag verschillen.

Leg uit.
De huidige berekening is vooral gebaseerd op fre's, de formatie-rekeneenheden. Het aantal formatieplaatsen is daarbij dus de norm. De nieuwe berekening gaat uit van heel andere zaken, onder andere van de leerlingenaantallen.

Klinkt simpel.
Dat is het niet. Want er is een vast bedrag per leerling, en een variabel bedrag per leerling dat weer afhangt van de gemiddelde leeftijd van de leraren – want een jong docentenkorps is goedkoper dan een oud docentenkorps. Verder zijn er verschillende bedragen voor verschillende groepen leerlingen – voor leerlingen van vier tot zeven jaar oud, en voor leerlingen van acht jaar en ouder. En er zijn toeslagenregelingen, bijvoorbeeld voor kleine scholen of scholen met nevenvestigingen.

Klinkt ingewikkeld.
Nogal. Zo is de rekensom voor de hoogte van de toeslag voor kleine scholen: het vaste bedrag voor de kleine scholentoeslag plus de GPL (de gemiddelde personeelslast) maal het leeftijdsafhankelijk bedrag van de kleine scholentoeslag min het aantal leerlingen maal het ‘vast verminderingsbedrag kleine scholentoeslag per leerling’ plus weer de GPL maal de ‘leeftijdsafhankelijke verminderingsbedrag kleine scholentoeslag per leerling’.
En dat is dan de berekening voor scholen met minder dan 145 leerlingen. Voor zéér kleine scholen, met minder dan eenentwintig leerlingen, is de rekensom nog een paar regels langer.

Haal de rekenmachine er maar bij.
Hee, we leven in 2005 hoor. Scholen kunnen bij de berekening van hun toekomstige lumpsum gebruik maken van een spreadsheet van de organisatie die het geld over de scholen verdeelt: CFI, de Centrale Financiën Instellingen. Die CFI wordt in het hbo overigens ook wel aangeduid als ‘Constant Foute Informatie’ – laten we hopen dat die afkorting niet op de berekening van de lumpsum voor het basisonderwijs gaat slaan.

Goed, en als mijn school nu meer of minder geld krijgt?
Dan is er een overgangsregeling van vier jaar.

Dit is het onderwijs, dus er is vást een pilotproject.
Inderdaad. Om alvast met het nieuwe systeem te kunnen proefdraaien hebben ruim dertig scholen ontheffing gekregen van de huidige bekostigingsregels. Vooral kleine besturen willen graag alvast experimenteren, want voor hen kan de lumpsumfinanciering grote gevolgen hebben: zij hebben kleine budgetten en kunnen het risico niet spreiden over verschillende scholen.

En, hoe bevalt het die scholen?
Gematigd positief. Het is een heel andere manier van denken: in plaats van alle kosten blind te declareren, moet je als school meerjarenplannen opstellen. Want je moet risico's zelf kunnen opvangen. Onverwacht extra onderhoud aan het gebouw of extra ziekteverzuim kunnen een behoorlijke hap uit je lumpsum nemen. Een school moet verder vooruitkijken.

En wat verandert er straks voor mij persoonlijk, in de klas?
Weinig, want de arbeidsvoorwaarden blijven vastliggen in de cao. Maar als docenten vragen om bijvoorbeeld nascholing, klassenverkleining of het aanstellen van een lio, kunnen directies zich niet meer verschuilen achter het excuus: ‘Daar krijgen we geen geld van het ministerie voor’. Want de hoeveelheid geld is inderdaad beperkt, maar de directie bepaalt zelf waaraan het wordt besteed.

Maar daar hebben wij als docenten toch zeker inspraak in?
Daar wordt aan gewerkt. De huidige Wet medezeggenschap onderwijs is te zwak om goede inspraak in de nieuwe lumpsumsituatie te garanderen. De Wet op de ondernemingsraden is veel krachtiger, dus die zouden we in het onderwijs kunnen invoeren. Daarover hebben we sinds eind jaren tachtig ook al talloze congressen volgekletst. Maar die wet heeft het probleem dat de ouders en de personeelsleden verschillende inspraakrechten zouden krijgen. En het is niet zo leuk voor een school als ouders en personeel tegenover elkaar komen te staan. Daarom wordt er nu druk gewerkt aan de hele nieuwe Wet medezeggenschap scholen. Die verenigt, zo is het idee, de beste elementen van de Wet medezeggenschap onderwijs en de Wet op de ondernemingsraden.

Mooi. En wat vindt mijn vakbond van dit alles?
De Algemene Onderwijsbond heeft in principe geen bezwaar tegen de lumpsum – meer autonomie van de scholen is prima. Maar de bond vindt wel dat medezeggenschapsraden ontzettend op hun qui-vive moeten zijn. Want de lumpsumbekostiging vergt heel veel professionaliteit van het management en het bestuur – en van de MR zelf natuurlijk. En de AOb vraagt zich af of alle scholen de benodigde administratieve gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de hoogte van de lumpsum, wel boven water kunnen krijgen. Zo niet, dan is het de vraag of de invoeringsdatum van 1 augustus 2006 gehaald kan worden.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.