• blad nr 2
  • 22-1-2005
  • auteur M. Vermeulen 
  • Column

 

Linkse zuinigheid

Soms hoor ik uit het veld iets terug over mijn columns. Dat is altijd leuk, meestal leerzaam maar soms ook verbluffend. Via via hoorde ik dat er lezers zijn die mijn columns rechts vinden. Ik laat me veel zeggen, maar dat toch niet. Navraag leverde een boeiende gedachte op: ‘Vermeulen zeurt vaak over geld en onderwijs, vraagt zich soms hardop af of dat niet goedkoper kan en dus is hij rechts’.
Ik snap het misverstand wel: de meeste aanslagen op onderwijsbudgetten komen van de rechterzijde. Maar betekent dit nu dat we aan de linkerzijde van het politieke spectrum maar niet meer op geld hoeven te letten? Alsof Vadertje Drees geen socialist was omdat hij op de fiets kwam en zijn eigen brood smeerde!
Laten we om te beginnen eens kijken naar de verdeling van publieke middelen. Het is volgens mij een links standpunt dat belangrijke subsidies (hoger onderwijs, kunst en cultuur) te veel terechtkomen bij mensen die geld genoeg hebben. Als je je hardop afvraagt of bijvoorbeeld de financiering van masters niet beter gewoon privaat geregeld kan worden, dan kan dat dus best een linkse opvatting zijn. Zeker als je vindt dat het geld wél beschikbaar moet blijven voor onderwijs en bijvoorbeeld gestoken moet worden in het opknappen van het vmbo, de educatie of onderwijsachterstandsbeleid.
Als ik roep dat het onderwijs ondernemender moet zijn, bedoel ik daarmee niet dat er geld verdiend moet worden om het geld verdienen en dat we allemaal gelijk eurotekens in onze ogen moeten krijgen. Dat leidt sowieso ter linkerzijde wel eens tot rare taferelen. Je krijgt dan PvdA-kopstukken die ineens als commissaris bij een multinational opduiken en daar gaan verdedigen dat topmanagers echt meer moeten verdienen. Inderdaad: als linkse mensen rechtse dingen gaan doen, boer pas op je kippen! In het onderwijs is dat niet anders. Winst maken moet je daar gewoon niet willen. Maar dat betekent niet dat er met nadenken over een doelmatige besteding van geld iets mis is. Het gaat bij ondernemerschap naar mijn mening om een optimaliseringsvraag: hoe kun je met een zo gering mogelijke inzet van middelen zo groot mogelijke opbrengsten realiseren. In een bedrijf zijn opbrengsten dan in de meest letterlijke zin van het woord te verstaan: winsten, uitkeringen aan aandeelhouders en voor mijn part bonussen voor topmanagers die het goed gedaan hebben. In de publieke sector speelt natuurlijk net zo’n soort optimaliseringsvraag. Kun je met een (gegeven) budget zoveel mogelijk welzijn, gezondheid, veiligheid of onderwijs realiseren. Het verschil met het bedrijfsleven zit hem in wie er profiteert: shareholders of stakeholders (leerlingen, ouders, patiënten, enzovoort). Nog steeds is de vraag naar doelmatigheid een hele terechte en zeker geen te rechtse. Ook met publieke middelen moet je woekeren en als je met minder geld meer kunt doen, moet je dat zeker doen. Wat je overhoudt kun je uitgeven aan nog beter onderwijs of kortere wachtlijsten. En misschien houd je ook nog wat over voor het verhogen van uitkeringen. Maar dan wel die voor bijstandsmoeders en niet die voor topmanagers in de publieke sector. Wilt u mij nu nooit meer betichten van rechtse dwalingen?

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.