• blad nr 2
  • 22-1-2005
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

Uitgevers piekeren zich suf 

‘De echt innovatieve scholen redden zich wel’

Het nieuwste van het nieuwste zal er te zien zijn, eind januari op de Nationale Onderwijstentoonstelling (NOT) in de Utrechtse Jaarbeurs. Maar voor steeds meer scholen is ook het nieuwste dat educatieve uitgevers bieden nog niet goed genoeg. Zij kunnen niet meer uit de voeten met kant-en-klare pakketten. Maar de leermiddelen-op-maat waaraan veel vernieuwende scholen behoefte hebben, kunnen de uitgevers niet bieden. Worden de uitgevers zo een rem op onderwijsvernieuwing?

Een ‘heidense klus’ is het, en ‘zeker geen onverdeeld genoegen’. Dat zegt Dave Drossaert, rector van de Utrechtse havo/vwo-school Unic. Zijn school is afgelopen augustus van start gegaan met onderwijs waarin de traditionele vakken overboord zijn gezet, waarin leraren vooral begeleider zijn en waarin leerlingen niet in klaslokalen zitten, geen huiswerk hebben en nooit blijven zitten. In het ‘nieuwe leren’ zoals Unic dat vorm geeft, draait het om zelfstandig werkende leerlingen die kennis en vaardigheden verwerven die aansluiten bij hun eigen behoeften.
Maar ook dit vernieuwende onderwijs kan niet zonder leermiddelen. Unic-leerlingen maken vrij weinig gebruik van boeken, van de computer des te meer. En daar wringt de schoen. Want het internet biedt informatie te over, maar een samenhangend pakket leermiddelen is toch iets heel anders. “Waar wij behoefte aan hebben is goed bronnenmateriaal met losse opdrachten; die zouden digitaal, via een databank toegankelijk moeten zijn”, zegt Drossaert. Aanvankelijk dacht hij met die behoefte te kunnen aankloppen bij de educatieve uitgeverijen. Maar uiteindelijk kreeg hij van hen toch nul op het rekest. “We lopen te ver voor op de rest, werd mij gezegd. De uitgevers wachten tot de markt voor nieuwe leermiddelen groter wordt. Maar wij willen maatwerk.”
En dus heeft Unic maar besloten haar eigen leermiddelen te ontwikkelen. Deels gebeurt dat door auteurs van buitenaf, deels ook door Unic-docenten. Maar dat is dus een ‘heidense klus’. “Onze docenten werken hier met heel veel enthousiasme”, aldus Drossaert. “Maar ze krijgen al meer dan genoeg op hun bord. En dit komt daar dus nog bovenop.”

Tegenwind
Het geval van Unic staat niet op zichzelf. Slash 21 in Lichtenvoorde liep een paar jaar geleden al tegen precies dezelfde problematiek op, Amadeus in Utrecht doet dat nu ook en als volgend jaar de Nieuwste School in Tilburg start, zal het daar waarschijnlijk niet anders zijn. Alleen al in het middelbaar onderwijs is inmiddels een twintigtal scholen bezig met vernieuwingen als die van Unic. “En dat aantal groeit hard, heel hard zelfs”, zegt Willem van Gaans van de KPC Groep, die een aantal van deze scholen begeleidt en ondersteunt. Hij verwacht dat binnen afzienbare tijd tien à twintig procent van alle middelbare scholen overstapt op het nieuwe leren of iets wat daarop lijkt.
Maar de educatieve uitgeverijen kunnen vernieuwende scholen tot nu toe nauwelijks helpen. Er gaat in hun branche veel geld om. In 2003 haalden zij gezamenlijk een omzet van ruim 325 miljoen euro. Bijna de helft daarvan wordt omgezet in het voortgezet onderwijs; een dikke 70 miljoen komt uit het basisonderwijs. Maar die omzet komt vooral uit kant-en-klare pakketten die in grote oplages over het onderwijs worden uitgestort. Voor meer flexibel lesmateriaal is de markt volgens de uitgevers zo klein dat daar niets te verdienen valt. En ook als die markt groeit, verwachten uitgevers niet dat ze die goed kunnen bedienen. Als al die vernieuwende scholen precies hetzelfde wilden, was er misschien nog een mouw aan te passen. Maar elke school wil net iets anders, iedereen wil maatwerk. En maatwerk is nu eenmaal onbetaalbaar.
Toch staat het wel vast dat de markt voor kant-en-klare pakketten zal krimpen. De tegenwind voor de uitgevers komt namelijk niet alleen uit de hoek van een minderheid van vernieuwende scholen. Ook bijvoorbeeld de commissie die zich heeft gebogen over de vernieuwing van het scheikunde-onderwijs in de bovenbouw van havo en vwo heeft gepleit voor veel flexibeler en gevarieerder lesmateriaal.
Nog zwaarder weer voor de uitgeversbranche belooft de vernieuwing van de basisvorming. Tot nu toe was de basisvorming een ‘droomscenario’ voor uitgevers, schreef de taakgroep Vernieuwing basisvorming half juni in haar eindrapport. Want dankzij de geharmoniseerde kerndoelen voor alle schooltypen hadden de uitgevers te maken met een grote, stabiele markt voor uitgebreide leergangen in maar liefst vijftien vakken. Die markt fragmenteert, nu scholen meer vrijheid krijgen om eigen keuzes te maken. “Met de trend naar meer maatwerk lijkt het tijdperk van de grote, kant-en-klare leergangen ten einde te lopen”, stelde ook de taakgroep daarom vast.
“Ik zou niet graag uitgever zijn in deze tijd. Want ik zou ook niet precies weten wat ik dan zou moeten doen”, zegt rector Henk van Dieten van Slash 21 met een glimlach. De uitgevers zelf maken de indruk dat nauwelijks beter te weten. En dat roept een serieuze vraag op: als de uitgevers niet weten in te spelen op de nieuwe markt voor leermiddelen, dreigen zij dan geen rem op onderwijsvernieuwing te worden?

Nieuwe leraren
Nou, zo’n vaart zal het waarschijnlijk niet lopen, sust Heim Meijerink, nog tot 1 januari jongstleden voorzitter van de taakgroep Vernieuwing basisvorming. “Ik verwacht niet dat het aantal vernieuwende scholen zo hard zal groeien als anderen wel voorzien”, zegt hij om te beginnen. “Een aanmerkelijk deel van de markt voor traditioneel lesmateriaal blijft nog jaren bestaan. Kijk, de gemiddelde leraar heeft 26 dienstjaren. Heb je een school van zeg 85 leraren, dan maak je zo’n omslag niet in een paar jaar. Daar heb je nieuwe leraren voor nodig, en ook andere gebouwen trouwens.”
Meijerink voegt daar meteen een tweede opmerking aan toe: het lesmateriaal dat de uitgevers nu leveren, biedt al veel mogelijkheden. “De meeste methodes zijn zo rijk dat een gevarieerd gebruik ervan heel goed mogelijk is. Daar kan je een eind mee komen. Het probleem is vaak eerder dat leraren de geboden mogelijkheden niet genoeg gebruiken. Veel vernieuwende elementen in de bestaande methoden slaan ze over. De kwaliteit van de leermiddelen is hoger dan wat veel leraren ervan maken.”
Maar inderdaad, zegt uiteindelijk ook Meijerink, voor scholen die ver voor de troepen uit lopen, schieten de bestaande methoden tekort, vooral in het vmbo. Om daar meteen weer een geruststellende opmerking aan toe te voegen: “De echt innovatieve scholen redden zich wel.” Hijzelf maakt zich meer zorgen over de grotere groep volgers. “Want”, zegt hij, “veel docenten zijn nogal methodetrouw. Je kunt dus van alles verzinnen om scholen de vrijheid te bieden eigen keuzes te maken, maar als de leermiddelen ontbreken die docenten daarin ondersteunen, weet je zeker dat je plannen in een la verdwijnen.”
Om die reden werkt de taakgroep al een tijdje aan een het ontwikkelen van experimentele leermiddelen, in samenwerking met de uitgeverijen (zie kader). Een blauwdruk voor hoe de leermiddelenmarkt er in de toekomst uitziet, heeft dat nog niet opgeleverd. “Het is goed voorstelbaar dat een uitgever straks digitaal de content biedt, en dat scholen daar met wat knippen en plakken hun eigen leermiddel mee samenstellen. Dan heb je alleen maar een goede kleurenprinter nodig om je eigen boekje te kunnen maken. Maar goed, dat idee is al een jaar of tien oud en toch is het tot nu toe niets geworden. Kennelijk worden de investeringen erin nog niet als lonend gezien.”

Google
Een krimpende markt voor kant-en-klare leergangen, een commercieel moeilijke markt voor maatwerk – is er nog wel toekomst voor educatieve uitgeverijen? Volgens Van Gaans (KPC Groep) wel: hij voorziet dat content (inhoud) een belangrijk terrein voor de uitgevers blijft. Van Gaans zit regelmatig om de tafel met onder meer uitgevers om na te denken over de ‘uitgeverij van de toekomst’ en hij ziet wel iets in een opzet waarin uitgevers vooral voor een zogeheten contentmanagementsysteem zorgen. Dat is een enorme databank met losse onderdelen van een curriculum waarmee iedere school of leraar zijn eigen lesmateriaal kan samenstellen. “Uitgeverijen verkopen dan wat er gedownload wordt, via abonnementen per pagina of per hoofdstuk of per boek.”
Losse onderdelen zijn echter nog geen leergang, en juist in het maken van samenhangende leergangen zien uitgevers zelf hun grote kracht. Klopt, erkent Van Gaans, en op dat gebied houden uitgevers misschien nog een rol. “In New York heb ik scholen gezien die nog maar één methode gebruiken: Google it. Dat gaat ver, want dan is elke waarborg voor kwaliteit verdwenen. Maar hoe dan ook zal de rol van uitgevers op het gebied van samenhang kleiner worden, de deskundigheid daarin zien uitgevers van zich afglijden. Wat doet de uitgever, wat doet de gebruiker – die verhouding zal verschuiven. In de richting van de scholen, ja. Als scholen hun eigen keuzes willen maken, kan dat niet anders.”
Om toch de kwaliteit en de samenhang in het lesmateriaal op niveau te houden, kan een nieuw soort professional ingeschakeld worden, denkt Van Gaans: de content-architect. “Die maakt met de bouwsteentjes uit een contentmanagementsysteem een samenhangend programma. Zo iemand kan bij organisaties als de KPC Groep werken, maar grote schoolbesturen zullen ze misschien ook zelf in dienst nemen. Hoe de verhouding tussen uitgever, school en content-architect precies uitpakt, kan wisselen. Maar die content-architect kan straks de concurrent van de uitgeverijen worden als het gaat om het maken van leerarrangementen.”

Pythagoras
Edwin Meijerink, directeur-uitgever voortgezet onderwijs van ThiemeMeulenhoff (en géén familie), ziet echter weinig commerciële kansen voor de opzet van Van Gaans. Zijn bedrijf heeft kort geleden voor veel geld een contentmanagementsysteem gekocht – dat trouwens ook voor het ‘gewone’ uitgeefwerk onmisbaar is geworden. “Dus we zijn er klaar voor”, zegt Meijerink. Maar de hamvraag is hoe dat systeem ingericht gaat worden. “Wat wordt de kleinste eenheid van opslag? Wordt dat iets op het niveau van het thema ‘arm en rijk’ of iets als de stelling van Pythagoras?”, zegt Meijerink. “Wordt het dat tweede, dan heb je daar als uitgever weinig werk aan. Die stelling verandert niet, dus als je die eenmaal in je systeem hebt opgenomen, ben je meteen voor 35 jaar klaar.”
Mooi voor de scholen misschien, want die zijn dan met één keer downloaden – en één keer betalen – klaar. Maar niet mooi voor uitgevers, want voor hen valt er zo geen droog brood te verdienen. “En mind you: zo halen scholen zich wel heel veel werk op de hals”, waarschuwt Meijerink. Werk dat uitgevers béter kunnen, voegt hij eraan toe. “De educatieve uitgeverij is een vak. Dat vak beheersen wij. En als scholen tig keer het wiel moeten uitvinden, wordt het uiteindelijk ook een stuk duurder.”
Vergaande uitspraken over de toekomst van zijn bedrijfstak zijn van Meijerink echter niet te verwachten. “Het probleem is: om de ontwikkeling van lesmateriaal te kunnen betalen, moet er genoeg afzet voor zijn”, vat hij samen. “Alleen dan blijft het materiaal goed én betaalbaar. Wij, de educatieve uitgeverijen, denken ons suf hoe we leermiddelen kunnen bieden die passen bij onderwijsvernieuwing. Niemand zit te wachten op sublieme, maar onbetaalbare oplossingen. En niemand is gediend bij slecht lesmateriaal.”
“Het is nog een zoektocht”, besluit Meijerink. “Maar goed, als scholen meer zelf willen doen, dan is dat zo. Dan kan het gebeuren dat wij ons gedeeltelijk uit de markt terugtrekken en dan loopt onze omzet terug. Nee, onze winstmarges niet, die kúnnen nauwelijks lager.”

We stencilen veel’

Leerlingen ontwikkelen zich vooral als zij zelf bezig zijn met vragen en uitdagingen die hen bezighouden. Dat uitgangspunt probeert basisschool Wittering.nl in Den Bosch gestalte te geven door steeds een paar weken één zogeheten kernconcept centraal te stellen. Dat kan bijvoorbeeld ‘macht’, ‘energie’ of ‘communicatie’ zijn.
Maar ja, net als in het voortgezet onderwijs lopen ook in het basisonderwijs vernieuwende scholen meteen aan tegen de vraag: waar halen we passende leermiddelen vandaan? Want ook in het basisonderwijs zien de educatieve uitgeverijen nog geen brood in methodes waarmee onderwijsvernieuwing ondersteund kan worden. “Een kind heeft een vraag en moet dan via internet informatie kunnen vinden die snel bereikbaar en te begrijpen is”, zo vat directeur Ton van Rijn van Wittering.nl zijn behoefte samen.
Er is al wel het een en ander, zoals de tv-programma’s van Klokhuis en het Jeugdjournaal. “Die zijn reuze educatief en de bereidheid om dat beschikbaar te stellen groeit”, vertelt Van Rijn. “Maar de toegang moet beter geregeld worden.” Het bestaande materiaal van educatieve uitgeverijen is trouwens niet volledig onbruikbaar. “Maar al dat materiaal moeten we als het ware reorganiseren. Want waar ligt de link met de kernconcepten?”
Wittering.nl is afgelopen september begonnen met nog geen twintig kinderen en heeft voorlopig veel werk aan het zoeken naar lesmateriaal. Hoop dat die zoektocht na verloop van tijd minder inspannend zal zijn, hoeft de school niet te hebben. Vier jaar na haar start moet ook een basisschool als de Stuifhoek in Made, met meer dan vierhonderd leerlingen, er nog veel energie in steken. Van educatieve uitgeverijen gebruikt de school vooral het ‘arme’ materiaal zonder toeters en bellen, vertelt directeur Annie Mayers; dat geeft de school de vrijheid er zelf eigen materiaal bij te zoeken. “We stencilen veel.”
De Stuifhoek heeft vooral behoefte aan materiaal waarmee leerlingen iets kunnen doen. Er is wel veel materiaal waarmee kinderen schriftelijk aan het werk kunnen. Maar veel kinderen leren beter door iets te doen, stelt Mayers. “Neem de rekenmethode Pluspunt. Veel kinderen hebben daar een enorme hekel aan. Ik ben ervan overtuigd dat ze dan niet effectief leren. Laat kinderen liever met oppervlakteberekeningen aan het werk gaan op een voetbalveld dan op ruitjespapier.”
“Heel belastend”, noemt Mayers het dat haar team nog steeds zelf voor veel materiaal moet zorgen. “Het is een groot karwei. En omdat we niet alles tegelijk kunnen, kunnen we ook niet bereiken wat we eigenlijk willen bereiken.”

Probeer eens een project

‘Probeer eens een project!’ roept de catalogus van ThiemeMeulenhoff docenten opgewekt toe. Het is het meest concrete antwoord van deze uitgever op de vraag naar leermiddelen die ruimte bieden om in het onderwijs eigen keuzes te maken. Maar bij nader inzien is de vrijheid die ThiemeMeulenhoff met haar projectkaternen biedt nogal beperkt. Het is de bedoeling dat de projecten naast een ‘gewone’ methode worden gebruikt; wie een project doet, kan – ‘heel praktisch’ – precies lezen welke delen van de gewone methode overgeslagen kunnen worden. De projecten zijn kant-en-klaar en dankzij de ‘uitstekende’ docentenhandleiding is de vereiste voorbereiding ‘minimaal’.
Het antwoord? Uitgever-directeur Edwin Meijerink weet het niet zeker. “Misschien is het maar een deel van de oplossing. Maar het voorziet in elk geval in de behoefte aan activerend leren – en dat is toch het buzzword bij onderwijsvernieuwing. Als dit het initiatief is waar iedereen op wacht, gaan we het op grotere schaal doen.”
Er zijn meer educatieve uitgeverijen die voorzichtig proberen in te spelen op de behoeften van vernieuwende scholen. Zo probeert Malmberg te voorzien in de vraag naar vakoverstijgend materiaal met onder meer experimentele modules voor de leergebieden mens & maatschappij en mens & natuur. Dat experimentele materiaal helpt scholen geleidelijk en zorgvuldig te werk te gaan, stelt uitgever-directeur Jakob Schuiringa. “Wij adviseren scholen te kiezen voor pilots of speerpunten. Zo kan ervaring worden opgedaan en gewerkt worden aan draagvlak binnen de school.”
Het experimentele materiaal van Malmberg is ontwikkeld in het kader van een project van de taakgroep Vernieuwing basisvorming waar ook andere uitgeverijen aan meewerken. Via dat project zijn nu acht proefpakketten ontwikkeld voor series van zo’n dertig lesuren, die elk op een aantal scholen zijn uitgetest. Zo zijn er lessen voor vwo en havo over ‘Europa’ en ‘arm en rijk’. Binnen de serie kan gekozen worden voor opdrachten over uiteenlopende thema’s die in een door school of docent zelf gekozen volgorde aan bod kunnen komen.
“We wilden scholen ervaring laten opdoen met een ander type, meer flexibel lesmateriaal”, vertelt Vera Simon Thomas, projectleider van deze experimenten. Maar, voegt zij eraan toe, scholen blijken zelf ook niet goed te weten wat ze willen op het gebied van leermiddelen. “De vraag is niet alleen heterogeen, maar ook nog weinig gearticuleerd. Nieuwe leermiddelen moeten in elk geval makkelijk in het gebruik en flexibel inzetbaar zijn, dat weten we nu. Het is aan de uitgevers daar mooie dingen voor te verzinnen.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.