• blad nr 22
  • 18-12-2004
  • auteur W. Dresscher 
  • Opinie

 

Verwijt van de nahosser is onterecht

Dubbel gepakt, zo voelen de nahossers zich. Eerst omdat met instemming van de vakbonden in 1985 de beginsalarissen zouden zijn verlaagd en nu omdat zij de vut-regelingen mislopen. Een onterecht verwijt aan het adres van de vakbonden, vindt AOb-voorzitter Walter Dresscher. In 1983 stond niet ter discussie óf de beginsalarissen werden verlaagd, maar hoe. Ondanks de langste onderwijsstaking ooit, hield het kabinet vast aan de plannen. De bonden wisten er alleen een overgangsrecht uit te slepen.

Sinds het Hos-akkoord dat bonden en ministerie in 1985 afsloten, loopt er een financiële scheidslijn door de lerarenkamer tussen de mensen die in 1985 al in dienst waren (voorhossers) en de mensen die erna kwamen (nahossers). In rubriek Post van het Onderwijsblad verschijnen met regelmaat brieven van nahossers. Het zou volgens hen bijvoorbeeld van moed getuigen wanneer het AOb-bestuur verklaart dat er twintig jaar geleden een stommiteit is begaan door de verlaging van de salarissen van nieuwkomers te accepteren. Dat is echter onmogelijk, omdat de aanname dat het hier om een fout gaat onterecht is. Niet de vakbeweging is verantwoordelijk voor de enorme ingrepen in de onderwijssalarissen, maar de politiek.
De Tweede Kamer draagt de volle verantwoordelijkheid voor deze ingreep die gebaseerd was op de destijds sterk levende gedachte dat de hoogte van de lerarensalarissen buitensporig royaal was. Er kon makkelijk een miljard gulden af. Een paar voorbeelden.
Het VVD-Kamerlid Nell Ginjaar-Maas vond bij de behandeling van de onderwijsbegroting in maart 1982 dat het rijk maar eens moest onderzoeken ‘welke versierselen ons onderwijs nog kent, die stammen uit de tijd dat onderwijs als welzijnsvoorziening werd gezien en de bomen tot in de hemel groeiden’. Professor Jo Ritzen zei in de Haagse Post in december 1983: ‘Eerste- en tweedegraadsleraren worden relatief hoog beloond. Het is nog steeds zo dat iemand financieel geslaagd is als hij leraar wordt, dan hoor je toch bij de hoogste tien procent van de inkomens.’

Staking
In dat klimaat kwam de Herziening onderwijssalarisstructuur, de Hos, tot stand. De onderwijsbonden NGL en ABOP, de voorgangers van de AOb, waren fel tegen. Zij noemenden het de ‘grootste onderwijsbezuiniging ooit’. De onderwijsbonden hebben hiertegen geageerd, onder andere door de langste staking ooit in het onderwijs te organiseren. Vijf dagen lang werd er massaal gestaakt, maar dat maakte op de politiek kennelijk onvoldoende indruk om op haar schreden terug te keren. Het uitgangspunt bleef: de onderwijssalarissen moeten omlaag.
Het verzet leidde wel tot onderhandelingen die zich een jaar voortsleepten. Deze hebben uitsluitend geleid tot het aanbrengen van overgangsrecht voor zittende docenten, en het uitsluiten van het ondersteunend personeel van de salariskorting. Als de bonden niet een akkoord gesloten hadden had dit dus geen verschil gemaakt voor het besluit als zodanig, alleen voor het overgangsrecht. Het toepassen van overgangsrecht is in dit soort situaties gebruikelijk en onvermijdelijk, zoals gelukkig ook de overheid inzag.
Juridisch is het onmogelijk bepaalde wijzigingen met terugwerkende kracht in te voeren, en ten aanzien van gewekte verwachtingen doet zich een grijs gebied voor, waar het misschien niet onmogelijk is maar wel problematisch: vandaar dat in het akkoord gekeken is naar de groep die gekozen had voor een onderwijsloopbaan onder de veronderstelling van de oude beloningssituatie.
De later ontstane versie dat het idee van de verlaging zijn oorsprong bij de onderwijsbonden zelf zou hebben gehad, is een falsificatie. De politiek heeft deze versie in de wereld geholpen als schaamlap voor de desastreuze gevolgen van dit besluit: niet alleen slechte verhoudingen binnen de scholen door ongelijke beloning, maar ook de aanhoudende tekorten op de onderwijsarbeidsmarkt. Dat werd destijds door de onderwijsbonden zelf ook al onderkend.

Profetisch
Natuurlijk was er een zekere overwinningsroes over het akkoord omdat de dreiging van een directe salarisdaling voor alle zittende docenten van honderden of zelfs duizenden guldens was verdwenen. Maar de ABOP-onderhandelaar van destijds, Chris van Beekveld, vatte het eindresultaat als volgt samen: “Het akkoord is geen reden om te juichen. Het is een geheel van plussen en minnen.” Als belangrijk minpunt formuleerde toenmalig NGL-voorzitter Jos van den Maagdenberg dat de verkleining van de eerstegraadssector het onderwijs voor academici minder aantrekkelijk maakt. En hij deed in de tijden van lerarenoverschotten de profetische uitspraak: “Nu al zien we een tekort aan economen op dit niveau in het onderwijs. Dat zou wel eens voor meer vakken kunnen gaan gelden.”
Voor mij persoonlijk is er dan ook geen twijfel mogelijk wat de keus moet zijn, als het gaat om verlagen van de salarissen met of zonder overgangsrecht. De optie salarissen niet verlagen was niet voorhanden, evenmin als de optie geld te besparen op het overgangsrecht en dit te verdelen over de hele groep. Het verschil dat wel eens wordt ervaren tussen de standpunten van ABOP en NGL is gemakkelijk te verklaren. De last kwam vooral terecht bij de groep eerstegraadsleraren, die hoofdzakelijk bij het NGL georganiseerd was. In het primair onderwijs waren er zelfs groepen, zoals de kleuterleidsters, die er op vooruit gingen door de Hos. De vaak gehoorde uitspraak dat ‘iedereen die zo’n twintig jaar voor de klas staat’ tot tijdens de pensionering last heeft van de ingreep in 1985 is dan ook niet juist.
Op dit moment maken we een vergelijkbare discussie mee over de solidariteit tussen de generaties waar het gaat om vut en pre-pensioen. Ook daar blijken de grenzen van wat mogelijk is op het punt van rechtvaardigheid snel bereikt. Degenen die in de bloeitijd van de gratis vut er uitgegaan zijn, zijn onbereikbaar en kunnen niet met terugwerkende kracht aangeslagen worden, terwijl de politiek voet bij stuk houdt waar het de noodzaak van een andere regeling aangaat. Welke keus je ook maakt, het ideaal van volkomen rechtvaardigheid is niet realiseerbaar.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.