• blad nr 22
  • 18-12-2004
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

Mooi ideaal loopt stuk op volle klas 

Weer samen naar school

Een aardig ideaal, dat idee om méér probleemleerlingen op de gewone basisschool op te vangen, maar ook niet meer dan dat. In de praktijk lastig uitvoerbaar, omdat er per klas te veel kinderen zijn die extra zorg nodig hebben. Gemiddeld zes op een klas van 25. Het Onderwijsblad houdt tien jaar Weer samen naar school (wsns) tegen het licht en vraagt juist leraren basisonderwijs naar hun mening, omdat hun stem zo weinig wordt gehoord bij de komende evaluatie van het project. Een verhaal over het ideaal, de klas en het geld.

Ik ben een doodgewone jongen,
Ik ben niet gek, ik ben niet dom
Ik ben alleen te druk,
Ik snap zelf niet eens waarom
Dat is best vervelend,
Ik ben echt niet zielig, nee
Ik ben gewoon een jongen
met adhd

De cd’s van Kinderen voor kinderen weerspiegelen de moderne tijd. In 1986 nog bezong het Vara-kinderkoor de haast vanzelfsprekende verwijzing van een meisje naar een lom-school.

En daarom zei m'n vader:
'Lieverd jij gaat op de lom'
Daar doen ze het wat rustiger,
dan lukt het best'
Maar toen ik dat op school zei
lachte iedereen zich krom

Je bent een lom-kind, lom-kind
Jij bent een achterlijk en oliedom kind

Verwijzen is uit de mode. We gaan weer samen naar school en daarom beleeft op de laatste cd een leerling zijn alle-dagen-heel-druk coming out tijdens een spreekbeurt, waarin hij zijn gedrag verklaart. Want adhd in de klas, zo luidt de hedendaagse boodschap, is dóódnormaal.
Zonder Weer samen naar school (wsns) zou Nederland nu wereldkampioen verwijzen zijn. De voortdurende en onstuimige groei van het speciaal onderwijs was politici en pedagogen in het midden van de jaren tachtig een doorn in het oog. Uit onderzoek in 1987 van de hoogleraren Luc Stevens en Klaas Doornbos werd duidelijk dat als er geen maatregelen werden genomen, misschien uiteindelijk wel een op de tien kinderen in het speciaal onderwijs terecht zou komen. De oorzaken van dat proces waren complex, maar wat in elk geval niet meehielp was dat er binnen het gewone basisonderwijs nauwelijks expertise was om kinderen met leer- of gedragsproblemen op te vangen. Het was voor leerkrachten bovendien té makkelijk, zo werd gesuggereerd, om ‘lastige’ kinderen door te verwijzen. Immers, er was altijd een school voor speciaal onderwijs te vinden, waar men met liefde, zorg en aandacht klaar stond om kinderen te helpen.

Geen applaus
Op basis van die studie werd in 1991 door staatssecretaris Jacques Wallage het project Weer samen naar school gelanceerd. ‘Een trendbreuk in de groei van het speciaal onderwijs is nodig’, luidde het parool. Door scholen voor basis- en speciaal onderwijs te laten samenwerken, zouden méér leerlingen op hun eigen vertrouwde buurtschool geholpen moeten worden. Toen niet – en nu nog steeds niet – werd of wordt wsns met applaus ontvangen. Integendeel. Directeur A. van der Bruggen van de lom-school de Schans in Tilburg hekelde in NRC Handelsblad de ‘misleidende voorlichting’ vanwege de positieve toon van het procesmanagement wsns. ‘Over vijftien jaar moet het speciaal onderwijs opnieuw worden uitgevonden.’ Maar er zijn ook basisscholen die het helemaal zien zitten, zoals directeur Piet Vrooman, die in 1995 in Het Schoolblad zegt dat hij door betere opvang drie in plaats van twaalf kinderen per jaar verwijst.
Het is uiteindelijk het pedagogisch ideaal - een leraar wil toch álle kinderen helpen zo ver mogelijk te komen? – dat maakt dat er geen massaal verzet is als het project Weer samen naar school in 1995 omgezet wordt in een wettelijke regeling. Bezuinigingen zijn bovendien niet aan de orde, het totaalbudget van basis- en speciaal onderwijs blijft gelijk.
Toch wil het tot op de dag van vandaag met het ideaal niet echt vlotten. De trendbreuk blijft uit.

Speciale kinderen
Er worden weliswaar minder kinderen naar scholen voor speciaal basisonderwijs verwezen, maar het aantal kinderen dat zware zorg nodig heeft in regionale expertise centra (zmok, zmlk) neemt juist toe. Alles bij elkaar blijft het zo dat nog steeds ongeveer vijf procent van alle leerlingen niet naar de eigen buurtschool gaat, maar wordt opgevangen in een speciale voorziening.
Wat we tegelijkertijd zien is dat ouders met hun ‘speciale kinderen’ op zoek gaan naar nog veel specialere oplossingen. In het zuiden van het land groeit de oversteek naar speciaal onderwijs in België. De levensverhalen van kinderen op Iederwijsscholen staan bol van gebrek aan aandacht voor het ‘bijzondere’ kind. Welgestelde ouders met dyslectische kinderen zoeken de peperdure particuliere school Maupertuus in Bosch en Duin op. Dat zijn weinig vrolijke berichten. Tegelijkertijd gonst het op de basisscholen van activiteiten. Er zijn individuele zorgplannen, er is veelal een intern begeleider aangesteld, er wordt bijgeschoold dat het een lieve lust is. En het werkt. De Inspectie van het onderwijs schrijft in het dit jaar verschenen Onderwijsverslag dat de vooruitgang van de kwaliteit van de leerlingzorg ‘opvallend en onverwacht groot is’. Problemen worden door de betere kwaliteit eerder gesignaleerd, er wordt op steeds grotere schaal gewerkt met een dyslexieprotocol en steeds vaker gebruikt gemaakt van individuele handelingsplannen. Hosanna?
Begin 2005 bestaat Weer samen naar school formeel tien jaar. Het project wordt volop geëvalueerd. Door de Algemene Rekenkamer, door het procesmanagement, door de Tweede Kamer, door de inspectie. Maar zelden wordt er gevraagd wat doodgewone leraren er nu van vinden. Het Onderwijsblad deed dat wel, en de mening van leraren basis- en speciaal onderwijs is knap negatief.

Het ideaal

Leraren zijn het erg met elkaar eens, of ze nu in het basis- of in het speciaal onderwijs werken. Meer dan de helft geeft aan dat ze het een aardig ideaal vinden, maar in de praktijk lastig uitvoerbaar.

Wat vindt u van het ideaal van wsns?
1. Uitstekend idee, goed voor professionalisering bo 3%
2. Goed idee, met vallen en opstaan vinden we onze weg 26%
3. Aardig idee, maar in de praktijk lastig uitvoerbaar 52%
4. Slecht idee, want onhaalbaar 19%

Waar de een zegt: ‘Er is in tien jaar veel veranderd, maar we zijn er nog niet. Zelfstandig werken, verlengde instructie, het is nog niet overal ingevoerd. Het onderwijs kan nog veel adaptiever’, weet de volgende niet hoe hij met zo veel probleemgevallen een klas moet runnen. ‘Welke organisatie zet ik op een combinatieklas van 25 leerlingen met twee dyslectici, één adhd’er, één kind met pdd-nos en één met het syndroom van Down.’ De aandacht die bijvoorbeeld een autist vraagt, kost veel energie, meldt de volgende. ‘Wij hebben het gevoel dat we andere leerlingen dan te kort doen.’ Bovendien hebben veel leerkrachten het gevoel dat het basisonderwijs leuk kan wsns’en, maar dat al die energie verloren gaat bij de overstap naar het voortgezet onderwijs. ‘In mijn ‘gewone’ groep acht zitten dankzij wsns twee leerlingen die naar het praktijkonderwijs gaan en zeven die leerwegondersteund onderwijs gaan volgen. Wsns houdt dus na de basisschool op en ondertussen lijden de ‘gewone’ kinderen onder de terreur.’

De klas

Wanneer je naar de uitslag van de enquête kijkt, lijkt het wel alsof gewone kinderen en dus het gewone basisonderwijs niet meer bestaan. Vrijwel alle panelleden hebben één of meer kinderen met leer- of gedragsproblemen in de groep. Gedragsproblemen, dyslexie en adhd komen het meest voor, bij rond de zeventig procent van de leraren basisschool. Pdd-nos (een autistische aandoening) en hoogbegaafdheid wordt in ongeveer de helft van de klassen gemeld. Minder frequent zitten kinderen met dyscalculie, autisme, lichamelijke- en geestelijke handicaps in de schoolbankjes van de basisschool (variërend van vijf tot dertig procent).
Al die verschillende groepen vragen om een eigen aanpak. Lang niet altijd voelen leraren basisonderwijs zich capabel om deze groepen te helpen. Daarom luidde de vraag aan het panel welke groepen zij als het makkelijkst of het zwaarst ervaren. Eén leraar vatte het als volgt samen: ‘voor dyslexie en hoogbegaafdheid bestaan duidelijke protocollen, maar problemen in de gedragssector vinden de meeste leerkrachten veel moeilijker te hanteren.’ En inderdaad staan de gedragsproblemen bovenaan in de top negen.

Moeilijkheidsbarometer

Schaal: 1= erg makkelijk 3= gemiddeld 5= erg moeilijk

1. Autisme 4,22
2. Pdd-nos 3,85
3. Adhd 3,75
4. Gedragsproblemen 3,68
5. Geestelijke handicap 3,50
6. Dyslexie 3,21
7. Lichamelijke handicap 3,19
8. Dyscalculie 3,07
9. Hoogbegaafdheid 2,65

De gemiddelde groepsgrootte van de panelleden komt uit op 25, iets groter dan het landelijk gemiddelde. Eén iemand rapporteert zelfs een klas van 43 kinderen. Gemiddeld genomen heeft in al die klassen een op de vier kinderen een individueel zorgplan, bijna zes kinderen per gemiddelde klas.

De klas zit vol probleemleerlingen

Hoeveel kinderen heeft u in de klas? 24,6
Hoeveel kinderen met een individueel zorgplan? 5,8

Percentage zorgleerlingen per klas 24%

Een op de vier, juist dat hoge aantal maakt Weer samen naar school volgens leerkrachten zo zwaar. ‘De groepen zijn te groot en te veel probleemkinderen per groep’, is de allesoverheersende klacht die uit de enquête naar voren komt. ‘Die druk maakt ook dat de kinderen én ikzelf de dupe zijn, want ik heb altijd het gevoel dat ik het niet goed genoeg doe.’ En een volgende reageert met de opmerking: ‘de scholen voor speciaal onderwijs zijn verdwenen zonder dat er daadwerkelijk meer handen in de school zijn gekomen. Er wordt van een leerkracht verwacht dat hij tien handelingsplannen tegelijk uit kan voeren.’ Terwijl de een pleit voor meer assistenten in de klas, maar dan wel fulltime, wil de ander groepen van achttien kinderen. ‘Alleen dan zijn speciale leerlingen op de gewone basisschool te houden.’

Het geld

In heel veel gevallen wordt Weer samen naar school ervaren als een bezuinigingsoperatie. Méér probleemkinderen, maar niet meer assistenten of kleinere groepen. Dat riekt naar bezuinigen. Toch is dat gevoel in strijd met de werkelijkheid: het budget voor basis- en speciaal onderwijs is volledig in stand gebleven. Zodra er minder leerlingen worden verwezen, krijgen de basisscholen meer financiële ruimte. Alleen wordt het budget volgens de geënquêteerden vaak verkeerd besteed.
‘Zolang de gelden niet naar de werkvloer of de leerlingen gaan, maar gaan zitten in paraplu’s en parasols die de hele dag vergaderen over hoe het zou moeten, dan blijft het bij een prima idee, maar onuitvoerbaar’, constateert de een, terwijl een ander opmerkt dat ‘er veel mensen zijn onttrokken aan de dagelijkse schoolpraktijk die bureaumatig en administratief werk doen en het weet ik niet wat voor baantjes heeft gecreëerd: ambulant begeleiders, zorgcoördinatoren…’ Wat ten slotte iemand laat verzuchten dat ‘te veel geld blijft zitten in tussenlagen. Als alle overheadkosten eens voor de leerlingen gebruikt zouden kunnen worden!’
Wellicht daarom wil men af van de gescheiden financieringsstromen voor bijvoorbeeld wsns, achterstand en rugzakje. Maar liefst de helft geeft aan dat dat onderscheid onwerkbaar is.

Vindt u het een goed idee om alle zorggelden (achterstanden, rugzakje, wsns) te bundelen?

Ja 52%
Nee 20%
Weet niet 28%

Verder hekelen veel geënquêteerden massaal de papierwinkel die Weer samen naar school met zich meebrengt. ‘Het is allemaal veel te bureaucratisch en daardoor mislukt’, is een van de jammerkreten. ‘Wsns heeft er mede voor gezorgd dat het onderwijs te bureaucratisch is geworden. Iedere hulpverlenende instantie heeft zijn eigen vragenformulier, het duurt veel te lang voor er gehandeld wordt, vaak meer dan een jaar voor er getest wordt.’ En eigenlijk vat één reactie het hele verhaal van Weer samen naar school op de werkvloer samen. Iemand die beide kanten van het primair onderwijs kent. ‘Doordat ik jarenlang in het speciaal basisonderwijs heb gewerkt, heb ik niet veel moeite met de hulp aan leerlingen. Maar de grootte van de groepen in het basisonderwijs, zorgt er wel voor dat het niet gemakkelijk is.’

De conclusies op een rij

Weer samen naar school is een forse werkverzwaring

* Wsns is een aardig idee, maar is volgens 52 procent in de praktijk moeilijk uitvoerbaar…
* Vooral omdat de klassen bomvol zitten – gemiddeld 25 leerlingen – met een hoog percentage kinderen (bijna een kwart) dat extra hulp nodig heeft…
* Tel daarbij op dat juist de moeilijkste groepen, die met gedragsproblemen, het meest voorkomen…
* En bedenk dat het extra beschikbare budget opgeslokt wordt door tussenlagen en bureaucratie en niet als formatie in de klas terugkomt…
* Dat alles maakt dat de leraren basisonderwijs Weer samen naar school als een bijna onwerkbare klus ervaren.

De enquête over Weer samen naar school werd uitgevoerd door Huub Braam en Nico van Kessel van het onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit te Nijmegen onder het ledenpanel van de AOb. Aan dit onderdeel van de panelenquête deden 187 mensen uit basis- en speciaal onderwijs mee. Voldoende voor een betrouwbaar beeld van de opvattingen van AOb-leden uit deze sectoren over Weer samen naar school.

{kader}

‘Budget voor extra zorg moet royaler’

AOb-hoofdbestuurder Rob de Koning: “De enquête telt veel scholen met grote klassen, witte scholen die blijkbaar geen extra formatie hebben voor achterstandskinderen. Juist op die scholen zijn de problemen groot. De leerlingenschaal ligt er veel te hoog om het groeiend aantal kinderen met dyslexie, Pdd-nos, hoogbegaafdheid of adhd aan te kunnen. Meer handen in de klas is zeker in witte klassen echt noodzakelijk. Het is verder hoog tijd dat de budgetten voor extra zorg worden samengevoegd. Het maakt leraren namelijk geen bal uit op grond waarvan zij extra middelen krijgen, als ze die maar krijgen. En dat heeft een tweede voordeel: nu moeten scholen inderdaad enorm veel papierwerk verrichten om in aanmerking te komen voor een of ander extra budget. Wanneer we er één budget van maken, dat royaler moet zijn dan nu bij wsns, is een verantwoording achteraf door de inspectie voldoende. Met bijvoorbeeld een strafkorting wanneer je met onvoldoende onderbouwing een kind verwijst. Zo kan één zorgbudget betekenen dat er meer geld op de werkvloer komt en minder bureaucratie.”

Te behappen

“Als je het vergelijkt met vijftien jaar geleden, dan is er inmiddels meer collegiaal overleg, toen was iedereen vooral met de eigen klas bezig.” Han Nijhof werkt dertig jaar in het onderwijs, eerst voor de klas en sinds 1992 als intern begeleider op Stadsveld, een openbare basisschool met twee
vestigingen in Enschede. Eenderde van de leerlingen is allochtoon. Nijhof houdt zich vooral bezig met het invoeren van nieuwe methoden en begeleiden van de leerkrachten: “De groepsleerkracht hoeft niet meer alles alleen te doen, ik zorg ervoor dat hij niet bedolven wordt onder de papieren. Het is zeker niet zo dat er allerlei individuele handelingsplannen geschreven worden, het moet allemaal wel te behappen zijn. De zwaardere gevallen laten we testen.” Voor het binnenboord houden van leerlingen met leer- of gedragsproblemen geldt eveneens dat het te doen moet zijn: “Het is niet zo dat de groep of de leerkracht daaronder moet lijden, en een kind moet zich veilig voelen in de groep.” Nijhof prijst zich gelukkig dat er in het samenwerkingsverband in Enschede geen aparte winkeltjes zijn voor de andere achterstandsgelden: “Dat is allemaal in elkaar geschoven.”
Voor hem staat na tien jaar wsns vast dat iedereen méér weet:
“Tegelijkertijd moet je dan weer oppassen dat je niet te snel stempels drukt op leerlingen. Ouders roepen dan ‘mijn zoon heeft adhd’ terwijl dat kind misschien gewoon druk is omdat sinterklaas eraan zit te komen.”

Batterij toetsen

Soms vraagt Lammert van Wagtendonk zich af of er nog wel gewone kinderen bestaan. Hij is directeur van twee openbare basisscholen in Barendrecht. De Zeppelin, een groeischool (500 leerlingen) in een Vinex-wijk en de Dubbeldekker (100 leerlingen) in het oude gedeelte van de stad. “Wij hebben zo’n acht à negen handelingsplannen per klas, dat is best veel, er wordt ook wel eens gemopperd. Toch vind ik dat de hele wsns-operatie een behoorlijke push heeft gegeven aan de zorg in de basisschool. We zijn nu beter in staat om met leerproblemen om te gaan, dat was toch de bedoeling?”
Kritiek heeft Van Wagtendonk vooral op het vervolgonderwijs: “Wij houden leerlingen zo lang mogelijk binnenboord, maar vervolgens krijgen we ze niet door verwezen naar het voortgezet onderwijs. Om in aanmerking te komen voor leerwegondersteunend onderwijs moeten ze weer een hele batterij toetsen afleggen, terwijl wij hier gewoon een leerlingvolgsysteem hebben liggen. We hebben het dan over leerlingen met een IQ van rond de zestig, die krijgen we niet geplaatst.” Een andere grote irritatie is de onderwijsinspectie. “Ik heb op de Zeppelin jaarlijks zo’n 150 tot 200 nieuwe leerlingen, die zijn verhuisd vanuit Rotterdam Zuid en hebben zich staande moeten houden in een nare buurt. Wij hebben heel veel werk aan het socialiseren van deze kinderen, dan vraagt de inspectie ons ‘hoe heeft u dat gemeten’? Hoezo? Als een onderzoeksinstituut als het Risbo worstelt met een instrument om gedrag te meten, hoe moeten wij dat dan doen?”
Op zijn andere school heeft hij veel zij-instromers, waaronder vluchtelingen. “Als het gaat om de gedragsproblematiek vraag ik me wel eens af, waarin verschil ik nog van een school voor speciaal onderwijs? Het enige verschil is dat ík de expertise en de kleine groepen niet heb.”

Ouders

“Het is heel leuk zo’n doorstroomschema, maar de praktijk is hard”. zegt Frank Jonkhoff, intern begeleider op de Achtste Montessorischool Zeeburg in Amsterdam. Hij ziet leerlingen nog steeds te laat naar het speciaal onderwijs vertrekken. “Er komt nu zo’n enorme heisa bij kijken dat ze vaak al acht jaar zijn voordat er een beschikking is. Tegenwoordig kun je op drie momenten per jaar op een sbo terecht, dat is louter theorie, met Pasen is het al vol!”
Jonkhoff werkt op een groeischool met een gemêleerde populatie. Hij vindt de gedachte achter wsns heel goed, want vroeger werd er veel te gemakkelijk verwezen. Veel ouders kozen bewust voor montessorionderwijs, als hun kind dan verwezen wordt naar het speciaal onderwijs dan schrikken ze daar erg van. Soms weigeren ze pertinent. Jonkhoff: “Dat is een grote frustratie, dat wij daardoor met vier kinderen zitten die hier absoluut niet thuis horen.”
Het voordeel van montessorionderwijs is volgens Jonkhoff wel dat er veel gedifferentieerder les gegeven kan worden. “Maar het is al veel minder individueel dan vroeger, het moet wel te doen blijven. Wanneer leerlingen helemaal niet meer meekomen, dan vraagt dat een aparte begeleiding en die is natuurlijk beperkt.” Over de terugloop van verwijzingen is hij wat cynisch: “Het is wel teruggelopen, maar niet omdat ze beter worden opgevangen. Er stranden er een hoop door uitstel of door ouders die niet willen. Helaas moeten kinderen eerst heel zielig worden voordat ze inzien dat het zo niet langer kan, maar dan is het meestal te laat.”

Top tien

In het samenwerkingsverband Barendrecht-Ridderkerk zaten er op 20 september 700 leerkrachten bij elkaar in een gymzaal. Tijn Nuyens vroeg ze een top tien te maken van knelpunten. Op nummer 1 staat het omgaan met verschillen in de klas, vooral als er leerlingen bij zitten met gedragsproblemen. Nuyens is de hele dag met Weer samen naar school bezig, als coördinator van een samenwerkingsverband met 28 scholen en als regioconsulent. Hij denkt dat er nu weliswaar een mooie zorgstructuur is, maar dat de leerkracht onvoldoende centraal staat. Nuyens is het eens met de conclusie van onderzoeker Cor Meijer dat wsns nog niet op de werkvloer is geland: “Hij heeft gelijk dat de leerkracht het moet doen. We zijn tot nu toe teveel topdown bezig geweest. De interne begeleiders zijn nu voldoende geschoold, die moeten de coach van het team worden.” Volgens Nuyens moeten leerkrachten zelf aangeven op welke punten ze begeleiding nodig hebben. “Ik kom dus niet meer met een heel professionaliseringstraject binnen, ze moeten zelf de regie hebben van hun eigen leerproces.” Hij weet dat niet iedereen hierover ‘in de applausstand’ staat, sommige directeuren voelen zich gepasseerd en veel leerkrachten willen de oplossingen liever aangereikt krijgen. “Ik krijg daarover hele positieve mailtjes binnen, maar ook mailtjes dat vanwege alledaagse beslommeringen, het lastig is om de goede voornemens uit te voeren.” Toch heeft hij wel het gevoel dat het de goede kant op gaat. “Op een studiedag komen 125 leerkrachten, en op onze nieuwsbrief wordt goed gereageerd.”

Grote groepen

De groepen op de openbare basisschool in Boekelo zijn groot, het zijn combinatiegroepen met dertig kinderen. Johanna te Biesebeek heeft haar 25-jarig jubileum op de dorpsschool net gevierd. Ze geeft les aan groep drie, is daarnaast intern begeleider en dat is ze ook nog een dag op een andere school. Ze vindt dat alle mooie ideeën wel haalbaar moeten zijn. “Je moet een keuze maken, je kunt wel roepen ‘er moet gedifferentieerd les gegeven worden’, maar wanneer je combinatiegroepen hebt werk je al met twee niveaus. Dus als ik in groep drie een kind met een duidelijk probleem signaleer, dan moet je kiezen of de school dat aankan. Wij zijn een 1.0 school, maar kinderen met gedragsproblemen heb je hier ook. Wij ontkomen niet aan de maatschappelijke problemen zoals ouders die gaan scheiden. Toch hebben wij maar voor één middag in de week ambulante begeleiding. Wanneer er dan een kind is dat een achterstand heeft van een jaar, dan moet je eerlijk aangeven dat er niet genoeg mensen zijn om dat kind te helpen. De groepsgrootte waar wij mee moeten werken is daarbij een belangrijke handicap. Ik heb nu een kind met Pddnos en met de ambulante begeleider wordt er nu aan de helft van die groep sociale vaardigheidstraining gegeven, daar heeft dat éne kind wat aan maar de rest van groep ook.” Te Biesebeek vindt het tekenend voor het gebrek aan middelen dat de school het voor extra dingen vaak moet hebben van een lio’er, die dan voor een klas wordt gezet. Ze vindt het een mooie baan, parttime intern begeleider. De school verwijst gemiddeld maar één leerling per jaar, Te Biesebeek is daar trots op: “Ik vind dat een mooi resultaat met de geringe middelen die we hebben.”

Uitgestelde aandacht

De eerste zes weken van dit jaar moest hij door een diep dal. Guus Kroon, leerkracht op de Venser in Diemen, heeft maar achttien leerlingen in de klas, maar twee van hen horen eigenlijk thuis in het mlk-onderwijs. “Dan heb je een kleine groep, maar ik had het idee dat ik in het speciaal onderwijs beland was zonder dat ik daarvoor opgeleid ben.” Er kwam uiteindelijk hulp in de vorm van een psycholoog die een handelingsplan opstelde. Zestig procent van de leerlingen op school is niet-Nederlandstalig. Het voordeel van wsns vindt Kroon dat kinderen op school meer begeleiding krijgen, het nadeel dat er soms kinderen noodgedwongen binnenboord worden gehouden die er helemaal niet thuis horen. De allochtone ouders van de twee kinderen die geen toestemming gaven voor verwijzing zijn volgens Kroon laagopgeleid. Ze kwamen niet opdagen bij gesprekken en werden zelfs agressief omdat volgens hen de school de problemen met de leerlingen moet oplossen. Kroon krijgt nu in de klas begeleiding om op een andere manier les te geven. “De bedoeling is dat ik de kinderen leer om zelfstandig te werken. Daarvoor heb je dan allerlei hulpmiddelen zoals een rood en een geel stoplicht en vraagkaartjes, die ze moeten geven voordat ze een vraag mogen stellen, dat heet ‘uitgestelde aandacht’. Maar mijn twee mlk’ers die begrepen daar niets van, die zaten alleen maar op hun stoelen te draaien, riepen voortdurend ‘meester, meester’ en renden dan weer naar mij toe. Het slot van het liedje was dat we het opgaven, het zelfstandig werken ging teveel ten koste van de orde in de klas. Dat is dan zo’n voorbeeld dat je wel een ideaal systeem kunt bedenken, maar het moet ook nog uitvoerbaar zijn.”

Adaptieve school

“Bij ons is er geen wachtlijst, als scholen aangeven dat het echt niet meer kan met een kind dan is er plek.” Agnes Asbreuk is intern begeleider op sbo de Tender in Enschede. Als collegiaal–consulent gaat ze langs basisscholen om ondersteuning te geven bij het lesgeven aan leerlingen met problemen. “Ik doe dit nu twaalf jaar en ik heb echt veel veranderingen gezien. Vroeger was je in de weer met het opstellen van leerlingvolgsystemen of toetsen, nu zijn we echt met het leerproces bezig. Dus hoe verander je het lesgeven? Hoe bouw je een adaptieve school?” Dat gaat met vallen en opstaan weet ze inmiddels, want als ze met een team afspraken heeft gemaakt over het zelfstandig leren, dan komt er weer een nieuweling binnenstappen die nergens van afweet. Ze kent de klacht van de 1.0-scholen, die te weinig ondersteuning krijgen, maar weet daar toch geen oplossing voor. “De meeste aandacht gaat toch altijd naar een school met een hoog verwijzingspercentage.” Op haar eigen school is de populatie in de loop van de tijd ook heel erg veranderd. “Er is sprake van probleemverdichting. De lieve ‘ml’ers’ van vroeger zitten er allang niet meer. Nu hebben kinderen naast leerproblemen vaak ook gedragsproblemen, het is een soort kettingreactie.” Asbreuk houdt een pleidooi voor het minder ‘labelen’ van kinderen: “Ouders vinden dat er iets met hun kind moet zijn wanneer het niet op een normale manier kan meekomen op school, dat is een verschil met vroeger.”

Eerder verwijzen

Het jammere van het Weer-samen-naar-school-project is dat het uiteindelijk om de financiën bleek te gaan. Guus Seemann is niet mild in zijn oordeel, maar voegt daaraan toe het positief te vinden dat men zich door het hele land is gaan afvragen: moeten we dit kind wel verwijzen, of vinden we dat alleen maar makkelijker? Seemann is directeur van twee scholen in Alkmaar: montessoribasisschool de Cilinder en daltonbasisschool Liereland. Beide scholen zaten altijd al met hun verwijzingspercentage ver onder het gemiddelde, dus was dat doel van wsns aan hen niet zo besteed. Toch heeft het project ook hier zijn effecten gehad: het team kent zijn mogelijkheden beter. “Wat kun je nog aan en wat niet, daar hebben we meer duidelijkheid over geschapen. We kunnen nu objectiever oordelen.” Het komt tegenwoordig zelfs voor, vertelt Seemann, dat een leerling eerder naar een rec (regionaal expertisecentrum) wordt verwezen dan vroeger. Hij durft de voorspelling aan dat het speciaal basisonderwijs in de toekomst (bijna) overbodig zou kunnen worden. Alleen voor kinderen met zware gedragsproblemen, die vaak ook nog te maken hebben met sociale problematiek, moet aparte opvang mogelijk blijven. “En bijvoorbeeld ook voor blinde kinderen. Ik zou niet weten wat ik daarmee zou moeten en dan vraag ik me af of zo’n kind niet beter tot zijn recht komt bij een rec.” (DH)

De zorgleerling

Dus de Tweemaster is met wsns een heel eind op streek? Ja, luidt het volmondige antwoord van directeur Ger Cremer. De contacten met de begeleidingsdienst, een goed gestructureerd overleg op school hoe zorgleerlingen effectief kunnen worden geholpen – tal van zaken zijn op deze dorpsschool in De Rijp al goed geregeld. Met als spil om wie alles draait: de interne begeleider. Zeer weinig leerlingen worden doorverwezen, alleen al omdat het team ernaar streeft de kinderen op het dorp te houden. Maar bij sommigen zal dat nooit en te nimmer lukken. Cremer denkt daarbij aan zwaar dyslectische en autistische kinderen. “Het is ook heel moeilijk voor zo’n leerling om op school te blijven”, voegt hij eraan toe. “Het kind raakt sociaal geïsoleerd omdat het niet wordt geaccepteerd in de groep.” Volgens hem is bovendien te weinig rekening gehouden met de ‘verdichting van de problematiek’ in het speciaal basisonderwijs. Dat wil zeggen dat de ‘gewone’ lom- en mlk-kinderen nu op de basisschool blijven en dat alleen de zware gevallen naar het sbo gaan. “Bij ons is het werken zwaarder geworden, maar in het sbo dus ook.”
Tot zover de kritiek. Want wsns is, zo zegt Cremer, ook een heel goed project. Er vindt meer begeleiding plaats, problemen zijn beheersbaarder geworden, waardoor een leerkracht minder snel zal zeggen: Ik weet niet wat ik daarmee aan moet. Wel wil de directeur nog voor een ongewenst effect waarschuwen. De school gaat steeds hogere eisen stellen, ook aan de ondersteuning die ze bij haar werk krijgt. “Je zult je steeds moeten afvragen: is dit wel een echte zorgleerling of maken we er één van?” (DH)

Strijkstok

Kritisch is Wilma Legrand over Weer samen naar school, zeer kritisch. Zij is directeur van basisschool de Beverburgh in Middelburg, een school met veel 1.9- en 1.25-leerlingen. Jazeker, het is een goed ideaal om zoveel mogelijk leerlingen in het gewone onderwijs te houden. In andere Europese landen kun je zien dat dat ook heel goed mogelijk is. Maar de praktijk is weerbarstiger. Al was het maar door het overheidsbeleid. Altijd moeten we voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Directeur Legrand vindt dat er veel te weinig geld terechtkomt bij de groep waar het om gaat, de leerlingen. Er blijft teveel aan de projectstrijkstok hangen.
Buiten dat heeft wsns inspirerend gewerkt, vindt ze. “Wij zijn gedwongen om beter na te denken over ons handelen. Op het ogenblik werkt een groot aantal leerlingen via eigen leerlijnen. Vroeger zouden we die naar het speciaal onderwijs verwezen hebben. We zijn veel kritischer naar ons werk gaan kijken.”
Voor interne begeleiding heeft de Beverburgh vier dagen per week uitgetrokken. Maar, benadrukt Legrand, “op onze school gaat het echt alleen om de coördinatie van de zorg. De interne begeleider verricht geen uitvoerende werkzaamheden, is niet ook nog eens remedial teacher.”
Het team kan meer aan, maar ook weer niet alles. Voor kinderen met psychiatrische problemen, ernstige gedragsstoornissen en voor zmlk-kinderen is specialistische behandeling nodig. Legrand: “Dat merkten we al snel na de start van wsns. In eerste instantie hebben we het uitgangspunt om kinderen in de gewone school te houden te serieus opgevat. Je zag bijvoorbeeld dat de jaren daarop de verwijzingspercentages weer stegen. Het houdt namelijk een keertje op in de gewone basisschool.” (DH)

Spagaat

“We zouden wat minder in stoornissen moeten denken. Laten we er gewoon van uitgaan dat leerlingen verschillende talenten hebben, dan hoeven ze niet direct het label van adhd of pddnos te krijgen als ze afwijken van de gemiddelde norm.” Inclusief onderwijs is voor Hans van Vliet, directeur van de interconfessionele sbo het Palet in Bovenkarspel, de toekomst. Als coördinator van het West-Friese samenwerkingsverband met dertig scholen en één sbo heeft hij wel zicht op de veranderingen van de afgelopen vijftien jaar. “Persoonlijk vind ik wsns een van de meest succesvolle onderwijsvernieuwingen.” Tegelijkertijd ziet hij nog veel zaken die veranderd moeten worden. Zo vindt hij het unfair dat leerkrachten in een soort spagaat getrokken worden. Aan de éne kant moeten ze kinderen van alle niveaus in de klas houden, aan de andere kant worden ze afgerekend op resultaten door de inspectie. Van Vliet: “Dat levert spanningen op, vooral in de hogere klassen, waar dan ook nog vaak geworsteld wordt met gedragsproblemen.” Een andere doorn in zijn oog is de bureaucratische rimram die het rugzakje met zich meebrengt, dat moet allemaal veel eenvoudiger. Het voortgezet onderwijs zou trouwens ook gewoon een zorgbudget voor de regio moeten krijgen, volgens Van Vliet werkt dat veel beter.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.