• blad nr 22
  • 18-12-2004
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Eerst leren, dan leraar

Een jongen op 3-vmbo haalt een 2,8 voor een geschiedenisproefwerk. Daar begrijpt hij niks van, deze keer heeft hij namelijk wel geleerd. Dus vraagt hij het werk op en legt het voor aan zijn oude leraar. Die aarzelt, mompelt en concludeert dat de score in orde is. Teleurgesteld gaat de jongen naar de moeder van een vriend. Zij geeft ook les, op een andere school en heeft toevallig zijn geschiedenismethode geschreven. Volgens haar heeft hij tachtig procent van de antwoorden goed. Terug naar de coördinator, die gelooft het niet, ouders erbij, uiteindelijk mag hij het werk over maken en krijgt een zes.
Hoe kan zoiets? Tja, eigenlijk is de schooldirectie verantwoordelijk. Die laat jonge docenten ongestoord aanmodderen. Maar we weten allemaal hoe het werkt. Zolang het leeft en het meubilair blijft intact, mag het voor de klas. Een evolutiegesprek met zo’n brokkenpiloot verloopt met een glimlach. Het evaluatief commentaar na lesbezoek luidt: de teugels kunnen strakker en afwisseling van werkvormen verdient aandacht. In het persoonlijk ontwikkelingsplan zijn dat de nieuwe leerdoelen.
De voorgeschiedenis van deze treurige situatie dan maar? Iemand doet examen havo; geschiedenis 6,3, de rest lager, niet echt een bolleboos dus. De opties in het hoger onderwijs zijn beperkt. Vandaar de keuze voor de tweedegraads lerarenopleiding. Daar is het laatste decennium alles wat moeilijk is en riekt naar vakinhoud gereduceerd tot net niet niks. Kennis van het schoolvak, daar veel over lezen, het hoeft niet. Eindeloze begeleidingsbijeenkomsten die bol staan van geneuzel over emoties en persoonskenmerken als stemgebruik en lichaamshouding, daar zijn er genoeg van. Kortom, niet verstand maar ideologisch in de pas lopen, is het selectiecriterium. Iedereen die braaf zijn geloofsbelijdenis doet en veelvuldig het toverwoord competentie laat vallen, krijgt een diploma en kan aan de slag.
Eenmaal voor de klas is het elke les invuloefeningen met nakijkvellen. De sturende instructies van de docent beperken zich tot: sst, pak je spullen, houd je mond, blijf van hem af, nu krijg je strafwerk, ga er maar uit, nog even tien minuten doorwerken, kan het wat rustiger en nu ben ik het zat. Na een paar weken volgt het proefwerk, standaard meegeleverd door de methode. Nakijken lukt dankzij het correctiemodel. Elk kind dat zelf iets weet of bedenkt, krijgt nul punten. Resultaat, driekwart onvoldoende. Hoezo actief leren?
Heeft u onlangs een jonge docent gesproken die beweert veel geleerd te hebben op de tweedegraads opleiding? Ik niet! Van de pabo ken ik daarentegen genoeg tevreden klanten. Dan is de conclusie toch helder? Tweedegraads opleidingen leveren activiteitenbegeleiders en geen leraren. Voor die paar havo-leerlingen die dromen van een carrière voor de klas luidt het devies: eerst een diploma hoger onderwijs en daarna begint de opleiding tot leraar. Een jaartje didactiek, onderwijskunde en wat werken in de praktijk, dat is dan voldoende. Lesgeven is niet moeilijk, als je maar wat weet.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.