- blad nr 19
- 6-11-2004
- auteur E.. Prins
- Het zit in de familie
Sasha & Marian
Sasha: “Ik wilde absoluut niet voor de klas. Het idee om hetzelfde te doen als mijn moeder, vond ik echt belachelijk.”
Marian: “Toen mijn drie dochters op de basisschool zaten, ben ik de avond-pabo gaan doen. Daarna heb ik ruim tien jaar op een, vrijwel volledig zwarte, basisschool in Gorinchem gewerkt.”
Sasha: “Ik wilde in ieder geval werken met kinderen met problemen. Dat stond vast. Mijn idee was om na de spw-opleiding (sociaal pedagogisch werk – red.) psychologie te gaan studeren. Maar toen ik stageliep als onderwijsassistent op een school voor speciaal onderwijs, was ik verkocht.”
Marian: “Ik wilde ook altijd bewust niet op een school met allemaal doorsnee, lieve blanke kindertjes. Daar zag ik weinig uitdaging in. Ik heb er ook van alles bij gedaan; interne begeleiding, een opleiding tot motorisch remedial teaching.”
Sasha: “Jij was altijd gericht op kinderen die het moeilijk hadden. Ik denk dat dat wel van invloed is geweest. Met de keus voor spw was ik eigenlijk ook al lang in je voetsporen getreden. Ik liep het alleen heel hard te ontkennen. Dat was afzetten, denk ik. Puberkoppigheid.”
Marian: “Haha.”
Sasha: “Maar de passie voor deze kinderen zat er al lang in. Ik merkte ook dat ik op de pabo al een heel sterk beeld had van hoe ik vond dat een leerkracht moest zijn. En dat beeld is heel erg gevormd door wat ik van jou heb gehoord en gezien.”
Marian: “Waar het bij mij om draait is dat elk kind, hoe raar ook, er mag zijn en dat er altijd ook een heel goed stuk in zit.”
Sasha: “Die kijk op kinderen heb ik erg overgenomen: eruit halen wat erin zit, kijken naar wat een kind wél kan. Daarin is mijn moeder echt een voorbeeld. Helemaal sinds ik bij haar mijn lio-stage heb gelopen.”
Marian: “Lio lopen bij je moeder. Goed hè!”
Sasha: “Ik wilde sowieso stagelopen in het speciaal onderwijs en mijn moeder was op dat moment net met een collega bezig een nieuwe locatie van het RMPI op te zetten. Het leek me geweldig om daar aan mee te doen.”
Marian: “Ik was er wel dubbel in. Ik vond het heel leuk, maar vroeg me ook wel af of het verstandig was. Maar Melanie, mijn collega, vond het prima en zij zou Sasha begeleiden.”
Sasha: “Dat gaf uiteindelijk ook voor de pabo de doorslag om toestemming te geven. Maar er is wel steeds gezegd: waak er voor dat het professioneel is, dat het geen moeder-dochterrelatie op school is.”
Marian: “Dat is heel goed gelukt. Het klinkt misschien raar, maar zodra we op school waren, was ze voor mij niet meer mijn dochter, maar gewoon een lio-stagiaire die ik zo goed mogelijk wilde begeleiden.”
Sasha: “In het begin zei ik nog wel eens per ongeluk ‘mam’. Maar eigenlijk voelde ze voor mij ook niet als mijn moeder, maar gewoon als een collega.”
Marian: “Alleen als er privé dingen speelden, was het nog wel eens lastig. Dat neem je dan toch mee naar school. Maar verder ging het hartstikke goed en was het superleuk.”
Sasha: “Het was hartstikke leuk. Soms zaten we thuis echt nog na te genieten over wat een kind had gedaan of gezegd.”
Marian: “Ik had haar ook graag als collega gehouden.”
Sasha: “Na de zomer was er een vacature in de kleuterklas die ik zelf had opgezet. Het RMPI wilde me graag hebben, maar niet in Gorinchem omdat mijn moeder daar werkt. Het is hun beleid dat collega’s niet persoonlijk met elkaar verbonden mogen zijn. Voor de stage hadden ze na veel vergaderen een uitzondering gemaakt.”
Marian: “Als collega baalde ik er enorm van dat ze het niet werd. Wij waren met z’n drieën echt een heel goed team. Maar als moeder zijnde dacht ik wel: misschien is het voor haar eigen ontwikkeling wel beter dat ze ergens anders heengaat.”
Sasha: “Ik vond de afwijzing heel erg. Maar achteraf denk ik ook: misschien is dit inderdaad wel beter. Het zou me ook kunnen belemmeren omdat mijn moeder toch een voorbeeld voor me is. Dat ik daar te veel naar ga streven en daardoor mijn eigen kwaliteiten te weinig ontdek.”