- blad nr 17
- 9-10-2004
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Ook een driejarig vmbo moet kunnen
Help de zwakke leerling aan een diploma
Al jaren staat het onderwerp boven aan de agenda: hoe is de grote voortijdige schooluitval (70.500 leerlingen in 2002) tegen te gaan? Tot nu toe is er geen enkel succes geboekt. Toch wil minister van Onderwijs Van der Hoeven over twee jaar al 21.000 voortijdige schoolverlaters (dertig procent) minder hebben, in 2010 moeten het er 35.000 (vijftig procent) minder zijn.
Het is echter de stellige overtuiging van het Sociaal en cultureel planbureau (SCP) dat Nederland daar nooit in zal slagen als er geen echte veranderingen in het systeem worden aangebracht. SCP-medewerker Bob Kuhry: “Je moet of ingrijpen in het niveau of iets veranderen aan het moment van doorstroming. Als je alleen maar doorgaat met meer van hetzelfde dan zal dat niets oplossen.” Kuhry is een van de samenstellers van de SCP-publicatie ‘Prestaties van de publieke sector’, waarin een internationale vergelijking wordt gemaakt van sectoren als het onderwijs en de gezondheidszorg. Nederland blijft met de resultaten van de onderwijssector op een middelmatig niveau steken. Een kwart van de volwassenen tussen de 25 en 34 jaar heeft geen bruikbaar diploma gehaald. Veel landen, zoals Denemarken, Duitsland, Finland, Zweden, Tsjechië, Canada en de Verenigde Staten, zitten daar met tien procent ver onder.
Lager niveau
Het grote aantal mensen zonder diploma heeft te maken met de groeiende groep probleemleerlingen, zo’n zeventien procent. Voortijdige schoolverlaters voor wie het mbo een onhaalbare kaart is. Daarnaast begint zo’n acht procent leerlingen aan havo/vwo zonder daar een diploma te halen. Kuhry: “Je moet je afvragen waarom andere landen deze problemen niet hebben. Een land als Tsjechië heeft met 95 procent wèl een heel hoog percentage mensen met een diploma. Dan neem ik aan dat het niveau lager zal zijn, dat er andere eisen gesteld worden.”
In het rapport wordt ook gekeken naar de leeftijd waarop leerlingen aan het beroepsonderwijs kunnen beginnen. In landen als Engeland kunnen leerlingen al met elf jaar naar het voortgezet onderwijs. Kuhry: “Ik zie het niet snel gebeuren dat in Nederland leerlingen een jaar vroeger naar het voortgezet onderwijs gaan, maar je zou het basistraject kunnen inkorten naar drie jaar, waardoor ze eerder aan een beroepsopleiding kunnen beginnen.” Volgens hem kan daar een stimulerend effect van uitgaan. Het gedrag van leerlingen is dan beter te beïnvloeden en het is gunstiger omdat leerlingen nog leerplichtig zijn.
Minder regels
De grote uitval van leerlingen vindt niet alleen plaats in het mbo, maar ook al aan het eind van het vmbo. Bestuursmanager W. Littooy van het Christelijk voortgezet onderwijs (CVO) in Rotterdam weet dat uit ervaring. Het terugbrengen van de vmbo-opleiding naar drie jaar ziet hij zeker als een oplossing. Littooy is een van de ondertekenaars van een open brief aan de politiek waarin nogmaals wordt gepleit voor minder regelgeving en meer faciliteiten voor het vmbo. De brief werd in korte tijd ondertekend door 250 directeuren van vmbo-scholen.
U wilt meer onderwijs op maat, vooral voor de praktisch ingestelde leerling. Maar scholen hebben toch al meer ruimte gekregen voor eigen vernieuwingen?
Littooy: “Het klopt dat er meer ruimte is, maar aan het eind van de rit zijn daar toch steeds die examens. Docenten hebben de neiging om daar het onderwijs op in te richten. Het is hun eer te na als leerlingen het niet zouden halen. Dus mag een leerling van de basisberoepsgerichte leerweg geen wiskunde doen op een hoger niveau, ook al zou hij dat aankunnen, omdat ze bang zijn dat hij het examen niet haalt. Ik vind dat je met doorstromingstrajecten moet werken naar het mbo, die overgang moet in ieder geval flexibeler zijn.”
Voordat Littooy bestuursmanager werd bij het CVO, een bestuur met 22.000 leerlingen, was hij directeur van het Pentacollege, een school met 6000 leerlingen. “Ik ben ook nog leraar geweest, dus ik weet over welke leerlingen ik het heb.” Om ook de zwakste leerling vast te houden, zo stellen de ondertekenaars van de brief, is het van het grootste belang dat aan hen perspectief op werk wordt geboden. Een traject op maat is het beste, waarbij ze stap voor stap worden voorbereid op het uitoefenen van een vak. Vandaar dat Littooy veel meer ziet in het behalen van deelcertificaten of het aanleggen van een portfolio, dan in het handhaven van de examens. “Ik weet wel dat het gaat om het niveau, maar er zijn ook andere methoden te bedenken waarop dat kan worden gecontroleerd. Hogescholen en universiteiten hebben toch ook eigen diploma’s? Zij werken bijvoorbeeld met visitatiecommissies.”
Snel overstag
Eigenlijk zitten de vmbo-directeuren op één lijn met de rapporteurs van het SCP. Ook zij zeggen: gooi de boel nu eens drastisch om en richt het onderwijs in op de behoeften van de leerling. Littooy: “Zo’n vmbo hoeft niet per se vier jaar te zijn. Het mag nu wettelijk niet, maar ik kan me voorstellen dat het voor sommige leerlingen beter is om al na drie jaar over te stappen naar een beroepsopleiding, het vmbo was nooit bedoeld als een eindopleiding.”
Uw doelstelling lijkt sprekend op die van de minister. Denkt u niet dat ze heel snel overstag zal gaan?
Littooy: “Misschien wel, het is natuurlijk zo dat zij de taak van de overheid in de gaten moet houden, zij wil dat er een toetsing is van de kwaliteit. Daar moet dan eigenlijk de discussie over gaan: wat toets je en hoe garandeer je de kwaliteit? Ik begrijp wel dat de minister het niet nu al met ons eens kan zijn, dan wordt ze daar genadeloos op afgerekend. Daarom zijn wij de discussie nu gestart en we doen dat samen met het Landelijk onderwijsforum. Daar zitten mensen in uit verschillende sectoren, ook mensen die met de arbeidsmarkt te maken hebben. Die denken met ons mee, ik heb goede hoop.”