• blad nr 8
  • 17-4-2004
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

Lerarenopleidingen verleizen onderweg zes van de teien eerstejaars

Intensievere samenwerking is de enige manier voor de tweedegraads lerarenopleidingen om de vernieuwingen door te zetten. Want de meeste lerarenopleidingen staan er financieel nog steeds wankel bij, zo constateert de visitatiecommissie in het summiere rapport Samen scholen. Veel kwesties die de commissie eerder aan de orde stelde – het niveau, voor welke schooltypen is de opleiding - komen nauwelijks terug.

De tweedegraads lerarenopleidingen zijn druk bezig met modernisering van hun didactische visie en aanpak. Een belangrijke vernieuwing is de samenwerking met scholen in de regio, het educatief partnerschap. Daardoor kunnen de instellingen hun programma up-to-date houden. Bovendien komt ‘opleiden in de school’ steeds vaker voor, waardoor de overgang van theorie naar praktijk vloeiender wordt. Tevens is het aantal routes snel gestegen: voltijd is niet langer de norm, deeltijd en duaal winnen snel terrein.
Volgens de visitatiecommissie klinken alle plannen goed en ambitieus, maar of ze zullen slagen is zeer de vraag. ‘Bij meer dan de helft van de instituten heeft de commissie onvoldoende vertrouwen in het beleid om deze visies te implementeren’, luidt de teleurstellende conclusie in het rapport Samen scholen, dat vorige week verscheen. ‘Er wordt veel top-down gewerkt, waardoor er in een aantal instituten te weinig draagvlak bij de medewerkers is. Daar waar is gekozen voor een bottom-up benadering of waar docenten is gevraagd hun expertise voor de vernieuwingen in te zetten, is een grotere betrokkenheid ontstaan.’
Er is een tweede factor die de ambities doorkruist: nog steeds hebben de lerarenopleidingen het financieel moeilijk. De opleidingen konden de financiële klap die de enorme daling van het studentenaantal teweegbracht, een beetje compenseren door allerlei innovatieprojecten waaraan veel subsidie vastzat. Zo waren er achtereenvolgens Kwaliteit en studeerbaarheid (een belangrijk deel van de 800 miljoen gulden voor het procesmanagement lerarenopleidingen), Promitt voor ict (20 miljoen gulden) en Educatief partnerschap (70 miljoen gulden). Volgend jaar loopt die laatste subsidiestroom af. ‘Het betekent dat het werk met minder mensen verzet moet worden.’ Een speciaal probleem is dat veel opleidingen een vergrijsd personeelsbestand hebben, velen gaan binnenkort met pensioen. Daardoor zal volgens de visitatiecommissie veel knowhow verdwijnen.

Verdwijntruc
De enige manier om de tweedegraads lerarenopleidingen verder te brengen, is volgens de kwaliteitscontroleurs intensieve samenwerking. Maar dat had de commissie al eerder gezegd in de tussentijdse rapportage Transformeren en balanceren. Dat geldt voor meer elementen, waardoor het visitatierapport een groot déjà-vu-gevoel oproept. Het stelt ook teleur omdat veel zaken die het tussentijdse rapport vorig najaar aanstipte, nu niet of nauwelijks worden uitgewerkt.
Een van die onderwerpen was de kwestie of de tweedegraads opleidingen wel voor alle schooltypen (basisvorming, vmbo, havo, vwo en bve) zouden moeten opleiden. De tweedegraads lerarenopleidingen worstelen daar mee. Intussen ligt de meeste belangstelling bij basisvorming, havo en vwo. Afgestudeerden die in het vmbo belanden, voelen zich daar dan ook de eerste tijd erg onzeker. Alleen Rotterdam legt het accent bij het vmbo. De bve valt vrijwel helemaal buiten ieders blikveld.
Over die worsteling van de opleidingen meldt de commissie weinig. Ze houdt het er op dat ‘studenten moeten beschikken over de basiskwalificaties voor het hele tweedegraads gebied’ en dat opleidingen ‘meer maatwerk moeten leveren’. Punt. Volgende onderwerp. Blijkbaar is de commissie daar of niet uitgekomen of niet op doorgegaan.
Op één belangrijk punt is een grote verdwijntruc toegepast. In de nota Transformeren en balanceren maakte de visitatiecommissie zich hardop zorgen over het hbo-niveau van de afgestudeerden. Over die zorg is niet veel meer terug te vinden. Alle opleidingen krijgen een voldoende voor het niveau van de afgestudeerden, met als enige kanttekening dat de controleurs zich afvragen of het niveau van de afgestudeerden op de wat langere termijn wel valt te handhaven.

Uitval
De afgestudeerden van de opleidingen zijn volgens de afnemende scholen prima. Oud-studenten zelf geven wel aan dat ze te weinig weten over speciale problemen in hun dagelijkse praktijk, zoals het omgaan met allochtone leerlingen, de aanpak van leerlingen met gedragsproblemen en gesprekken met ouders. Daar houdt het verhaal op. Verrassend, nadat de zorg over de kwaliteit zo expliciet was aangekondigd. En ook omdat de tweedegraads lerarenopleiding in de publieke opinie, binnen het hbo en bij het afnemende veld niet als moeilijk te boek staat. Integendeel, de studielast schommelt rond de twintig uur per week, wat erg weinig is.
Vreemd genoeg vraagt de commissie zich niet af of dat imago van een makkelijke hbo-opleiding misschien ook van invloed kan zijn op de wervingskracht van de lerarenopleidingen. De visitatiecommissie pabo deed dat wèl. Daar wilde men graag af van dat makkelijke imago, het moest worden omgebouwd tot ‘pittig en uitdagend’. Maar over de wervingskracht laat deze visitatiecommissie zich ondanks dreigende tekorten al helemaal niet uit. Een gemiste kans want voor de lerarenopleidingen tekent zich wel wat groei af, maar die is onvoldoende om overal van een gezonde boekhouding te kunnen spreken.
Misschien heeft dat ook iets te maken met het lage rendement. Het verschilt per instelling en studierichting, maar gemiddeld komt het na vijf jaar studeren op ongeveer veertig procent uit. Oftewel: de lerarenopleidingen verliezen onderweg zes van de tien eerstejaars. Het beeld is nog treuriger omdat een aantal instellingen heel soepel omgaat met het bindend studieadvies en jongeren door laat gaan die niet echt geschikt lijken te zijn.
Zorgelijk is het helemaal dat het merendeel van de instellingen zich daar géén zorgen over maakt en er géén structurele aandacht voor heeft. De uitval wordt, zo lijkt het, als een gegeven beschouwd. Op dat punt spreekt de commissie dan ook harde woorden en deelt veel onvoldoendes uit. ‘De instituten hebben weinig inzicht in de redenen waarom studenten voortijdig de opleiding verlaten of waarom zij studievertraging oplopen.’ Die kritiek is exact gelijk aan die van de visitatiecommissie in 1997, men heeft dus nog niet veel opgestoken op dit onderdeel.

Uit het dal


1993 1998 2003

voltijd 4308 2195 2977
deeltijd 2797 1331 2408
duaal 0 0 285
totaal 7105 3526 5670

bron: Samen scholen, Hbo-raad

Op een rij

Door de manier waarop zij hun vernieuwde onderwijsprogramma vorm geven gaan Utrecht en Amsterdam aan kop. Beide opleidingen kregen de meeste oordelen ‘goed’ en steken daardoor uit boven het gemiddelde. De visitatiecommissie deelde drie soorten oordelen uit – goed, voldoende, onvoldoende - op 25 criteria. Het Onderwijsblad gaf voor de ranglijst twee punten voor goed, één punt voor een voldoende en niets voor een onvoldoende. De maximaal haalbare score werd daarmee vijftig punten.

Instelling punten

1. Hogeschool van Utrecht 30
2. Educatieve faculteit Amsterdam 29
3. PTH Eindhoven 25
4. Noordelijke hogeschool Leeuwarden 24
5. Christelijke hogeschool Windesheim 23
6. Fontyshogeschool Tilburg 22
7/8. Fontyshogeschool Sittard 21
7/8. PTH Zwolle 21
9. Hogeschool Arnhem Nijmegen 19
10. Hogeschool Rotterdam 16
11. PTH Amsterdam/Rotterdam 13

bron: Samen scholen, Hbo-raad, bewerking het Onderwijsblad

De eigen visie en uitwerking daarvan van de Hogeschool van Utrecht en de Educatieve faculteit Amsterdam worden geprezen. De relatie met de scholen in de regio wordt als goed beoordeeld. Ook de beroepspraktijk zit goed in het programma van beide lerarenopleidingen verweven. Vreemd genoeg zwijgt de commissie over de plannen en de bijbehorende onrust onder het personeel van hogeschool Inholland om de goedlopende Efa weer op te splitsen.
Ook veel afzonderlijke studierichtingen bij de Efa en Utrecht krijgen voor hun vakspecifieke onderdelen een dubbele plus. Windesheim is de grootste groeier van alle lerarenopleidingen. Inmiddels telt de voltijdopleiding maar liefst 744 studenten. Die groei is vooral toe te schrijven aan de samenwerking met de LOI, waar studenten zich kunnen inschrijven voor afstandsleren.
Door de geringe omvang van de opleiding heeft de Hogeschool Arnhem Nijmegen een nieuw model opgezet. Samen met de universiteit in Nijmegen is het Instituut voor leraar en school opgezet. In de eerste twee jaar volgen studenten lessen op hun vakgebied bij de universiteit, daarna start pas de beroepsvoorbereiding. Maar dat ‘kop-rompmodel’ bevalt de visitatiecommissie helemaal niet.
De PTH (Pedagogisch technische hogeschool) in Amsterdam/Rotterdam verzamelt flink wat minnen. Onvoldoende samenhang, onvoldoende praktijkgericht, onvoldoende actueel, onvoldoende uitdagend. Het idee om praktijkervaringen in de deeltijdopleiding te koppelen aan de studie, of stages aan de voltijdvariant deugt op zich wel, maar de uitvoering rammelt. De opleiding ‘loopt in de achterhoede’, constateert de commissie.
Op de Hogeschool Rotterdam trof de visitatiecommissie een opleiding aan die verbouwde, herstructureerde, fuseerde en kantelde. De kwaliteitscontroleurs hadden er begrip voor dat de opleiding onder druk stond, maar kwam toch met een hard oordeel en veel onvoldoendes. Zo rammelt ook het personeelsbeleid. De vernieuwingen komen namelijk ‘weinig planmatig, samenhangend en gefaseerd’ tot stand. Interessant vond men wel de modules ‘school en stad’. Bijna de helft van de afzonderlijke opleidingen krijgt overigens ook nog eens een onvoldoende voor het vakspecifieke deel. (RS)

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.