- blad nr 7
- 3-4-2004
- auteur . Overige
- Opinie
Er rommelt een vulkaan
:Artikel 23 maakte een eind aan de schoolstrijd, die omstreeks 1850 begon en eindigde met de pacificatie van 1917. Die schoolstrijd is niet alleen belangrijk geweest voor de verzuiling van ons onderwijsbestel, ook de politieke partijvorming vindt daarin haar oorsprong. De discussie ging na 1848 vooral om de interpretatie van de zin ‘Het geven van onderwijs is vrij’ (lid 2). De liberalen wilden dat alleen openbaar onderwijs door de overheid werd bekostigd maar lieten het oprichten van particuliere scholen daarnaast volledig vrij. De geestelijke en politieke leiders van het protestantse en katholieke volksdeel verlangden dat de bekostiging door de overheid van confessionele scholen gelijkgesteld werd aan die van de openbare. Die eis leek redelijk. Protestantse en katholieke ouders konden dan, met steun en begeleiding van kerkbesturen en parochiegeestelijken, hun eigen scholen stichten zonder zware financiële offers.
De confessionele partijen hadden in 1917 niet de tweederde meerderheid die nodig was (en is!) voor een grondwetswijziging. Liberalen en sociaal-democraten waren echter bereid onder voorwaarden mee te werken. De prijs die ze vroegen was de invoering van algemeen kiesrecht. Ze verwachtten dat de confessionele partijen dan hun Kamermeerderheid voorgoed zouden verliezen. Dat viel tegen. Bij de verkiezingen van 1922 behaalden de confessionele partijen toch weer een meerderheid, die ze tot 1960 wisten te behouden. De pacificatie heeft zonder twijfel de verzuiling versterkt. De ‘antithese’ tussen het confessionele en meer vrijzinnig denkende deel der natie nam toe.
In confessionele kringen wordt beweerd dat het verzuilde onderwijs heeft bijgedragen aan de emancipatie van katholieken en gereformeerden. Echte bewijzen zijn er voor die veronderstelling niet. In machtspolitieke zin waren beide groepen al geëmancipeerd. De stelling dat zonder de verzuiling de emancipatie van katholieken en gereformeerden waarschijnlijk sneller was gegaan, is evengoed verdedigbaar. De katholieke en gereformeerde jeugd was dan opgegroeid binnen een seculier onderwijsbestel, samen met kinderen uit het vrijzinniger deel der bevolking. Maar de gereformeerde en katholieke leiders vreesden voor massale geloofsafval als het bijzonder onderwijs de schaapjes niet binnen de kooi zou weten te houden. Die vrees voor het verlies van de kerkelijke en politieke invloed werd openlijk toegegeven, het meest pregnant door de gereformeerde leider Abraham Kuyper met zijn uitspraak ‘in het isolement ligt onze kracht’.
Schijnheilig
:De hardnekkige verdedigers van artikel 23 geloven dat islamitisch onderwijs eveneens zal bijdragen tot de emancipatie van het islamitische volksdeel. De islamitische leiders vrezen echter niet alleen voor geloofsafval en verval der zeden, zij willen ook in taal en tradities de etniciteit van hun volgelingen handhaven. Deze nationalistische dimensie maakt een vergelijking met vroeger onmogelijk.
In het licht van de discussies over artikel 23 is het belangrijk vast te stellen dat tot ongeveer 1960 confessionele scholen uitsluitend leerlingen van de eigen denominatie hadden. Achteraf kan gezegd worden dat na 1950 de eerste scheuren in de zuilen zichtbaar werden. Het episcopaat zag dat scherp en publiceerde in 1954 het mandement, een vermanend herderlijk schrijven waarin de gelovigen onder andere werden herinnerd aan de plicht om hun kinderen naar katholieke scholen te sturen. Maar het mandement hielp niet. Scholen gaven hun godsdienstige exclusiviteit op uit puur lijfsbehoud. Slechts de streng reformatorische scholen bleven trouw aan hun oorspronkelijke doelstelling. En niemand had zich daar druk om gemaakt - zeker de politiek niet - als niet in de jaren zeventig ‘een otter in ’t bolwerk’ was opgedoken: de allochtone leerling. Eerst nog zonder maar later mèt hoofddoekje.
Plotseling herinnerden schoolbesturen van confessionele scholen zich dat het hun was toegestaan leerlingen te weigeren. Maar er waren ook confessionele scholen die de keus hadden tussen het toelaten van allochtone leerlingen of de ondergang, zodat er nu katholieke en protestantse scholen zijn met vrijwel uitsluitend islamitische leerlingen.
Een nieuw middel om allochtone leerlingen te weren was recentelijk de herinvoering van katholieke parafernalia en het verbod om hoofddoekjes te dragen op sommige katholieke scholen. In NRC Handelsblad van 30 november 2003 schreef dr. T. de Kort, voormalig CDA-Kamerlid en nu docent levensbeschouwing hierover: ‘Daarom noem ik de herinvoering van oude tradities en geloofswaarden schijnheilig en kan een en ander slechts bedoeld zijn om de scholen aantrekkelijk te maken voor wit Nederland.’
De huidige situatie is niet meer in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoelingen van de pacificatie. De vraag is of het bestel dat een eeuw geleden werd bedacht nu nog past. Wie kon toen bevroeden dat de vrijheid van richting (lid 5 van artikel 23) ooit zou worden gebruikt voor de stichting van islamitische scholen? Artikel 23 wordt door de verdedigers ervan gebruikt om een onwaarachtig en gecorrumpeerd bestel te legitimeren. Het gaat ze om de macht die ze in het maatschappelijk middenveld bezitten. Zolang de etnisch verdeelde minderheden in omvang nog beheersbaar lijken, gunt het CDA ze hun islamitische scholen. Zelf kunnen ze dan waar ze dat willen allochtone leerlingen de toegang tot hun scholen ontzeggen. Het zal ze voor de rest een zorg zijn of de binnenkomende leerlingen nu wel of niet in God of Allah geloven, als ze maar wit of geassimileerd zijn.
Machtsfactor
:Er zijn nu 42 islamitische scholen. Een onderzoek van de Universiteit Nijmegen heeft opgeleverd dat bijna de helft van de geënquêteerde islamitische ouders een islamitische school voor hun kinderen wenst. En dat er behoefte bestaat aan nog eens 120 islamitische scholen. Gezien de hoge geboortecijfers onder het islamitische volksdeel acht ik die cijfers nog aan de lage kant.
De islamitische zuil zal zeker bijdragen tot het ontstaan van islamitische politieke partijen. Partijen die binnen niet al te lange tijd een dominerende machtsfactor zullen worden in de gemeenteraden van de grote steden. Partijen die hun stemmen zullen krijgen van een nieuwe onderklasse die zich vernederd en gediscrimineerd voelt, gedreven door godsdienstig en etnisch fanatisme en geleid door een geëmancipeerde, maar niet geïntegreerde allochtone middenklasse. Wie daarover nadenkt, beseft dat onder onze samenleving een vulkaan rommelt die zonder een ander beleid met verschrikkelijke gevolgen kan uitbarsten. Onder meer een ingrijpende aanpassing van artikel 23 is daarom nodig. Het geven van onderwijs blijft vrij, maar alle door de overheid bekostigde scholen moeten algemeen toegankelijk zijn en mogen bij de inschrijving en toelating geen onderscheid maken op welke grond dan ook (artikel 1 van de grondwet). De algemeen bijzondere scholen hebben zich reeds principieel voor algemene toegankelijkheid uitgesproken, het is volstrekt redelijk dit nu ook van confessionele scholen te verlangen. Scholen dienen zich bij de overdracht van waarden en normen te houden aan onze grondwet, de Universele verklaring van de rechten van de mens en volledige coëducatie. Naast aanpassing van artikel 23 zijn andere maatregelen nodig zoals: geen dubbele nationaliteit, verplichte inburgerings- en taalcursussen, spreiding in het huisvestingsbeleid, verbod op gedwongen uithuwelijking en belemmering van de import van huwelijkspartners etc.
Artikel 23 is een eeuw geleden bedacht voor de samenleving van toen. Die samenleving bestaat niet meer. De wet van toen beëindigde een strijd, nu veroorzaakt ze een strijd die wel eens heel wat erger kon worden. Het is te hopen dat de discussie die nu eindelijk gevoerd kan worden, zal leiden tot een onderwijsbestel aangepast aan de omstandigheden van onze tijd. Het gaat tenslotte om niet meer of minder dan de strijd tussen the open society and its enemies.