- blad nr 7
- 3-4-2004
- auteur . Lachesis
- Column
Vrouwelijke horden
Mannen, ik generaliseer natuurlijk, handelen immer in de trant van: als jij mij laat, laat ik jou. Vrouwen, ik generaliseer nog een graadje erger, werken graag vanuit het principe: al ga je rechts- of linksom, ik laat je nooit. Valt het een te verkiezen boven het ander? Dat ligt eraan. Als ik zojuist samen met mijn klas een deel van de hal in lentesfeer hebt gebracht en ik zie steeds collega P. langskomen zonder dat hij er een blik op werpt, laat staan dat hij er iets aardigs over zegt, dan is het tijd om deze overwegend mannelijke eigenschap hartgrondig te verfoeien. Dan verheug ik mij in de enthousiaste uitroepen van vrouwelijke collega’s. Op momenten dat ik mijzelf echter genoodzaakt zie een minutenlange tirade van vrouwelijke collega’s aan te horen over het gebrek aan sfeer en gezelligheid alsmede de noodzaak om te komen tot een vast moment van wederzijdse knusheid en saamhorigheid, dan hunker ik onmiddellijk naar kilo’s mannelijke onverschilligheid. Liever geen sfeer dan een gedwongen sfeer.
Wat betekent een en ander in het licht van de oprukkende vrouwelijke horden in het onderwijs? Het betekent waarschijnlijk dat de enige groep in de samenleving die zich tot nu toe nog niet op ons gestort heeft, zich nu ook op ons werpt: de collega’s. Is dat erg? Dat ligt eraan. De vervrouwelijking zal in de praktijk leiden tot vrolijke, opgeknapte schoolgebouwen, tot saamhorige activiteiten met koffie en koek, tot gezamenlijk vastgestelde regels. Maar diezelfde vervrouwelijking zal ons ook tot diep in het woud der verwachtingen leiden. Een tamelijk ondoordringbaar woud: ‘ik vind eigenlijk wel dat jij…’, ‘ik had echt gedacht dat jullie…’, ‘het valt me tegen dat we niet samen…’. Niemand zal ooit meer gelaten worden of over het hoofd worden gezien. Alle daden of vermeende daden zullen waargenomen, beoordeeld en bekritiseerd worden. Direct dan wel indirect, tijdens een overleg of in een wandelgang. Vergaderingen zullen overspoeld worden met onverwachte erupties, opgetrokken wenkbrauwen en veelbetekenende blikken. De feminisering van het onderwijs zal dan ook geen onverdeeld genoegen zijn. Persoonlijk zie ik er in ieder geval niet naar uit. En als het zover is, dan zal ik beslist terugverlangen naar collega P. die zijn gemoedsrust niet laat verstoren door zo’n tuttige lentehoek. Als het zover is doe ik vast een moord voor een mannelijke collega die niet meteen een fluistercampagne begint als ik om half vier het schoolgebouw verlaat.
Maar het is nog niet zo ver. Tot nu toe zwem ik nog steeds in de mannelijke collega’s. Het geeft dus nog geen pas om ze nu al te missen. Dus heren: zorg ook eens voor thee en taartjes. Hang eens wat meer op dan twee stokoude tekeningen en vervang dat dode plantje. En nu jullie toch bezig zijn… haal onmiddellijk die zielige, opgezette dieren weg. Probeer eens wat leuks te zeggen als ik de hal gezellig gemaakt heb. Ben ik soms niet duidelijk in al deze verwachtingen? Zie je me niet staan in die wandelgang, hoor je die ongemakkelijke stilte niet vallen, ontgaat jullie die veelbetekenende blik bij die lege koffiepot? Wee jullie gebeente als ik en de mijnen het hier voor het zeggen zouden hebben.