- blad nr 7
- 3-4-2004
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Oud-topambtenaar Wisman staat nog steeds achter vmbo
‘Wij waren beleidsoptimisten’
:“Ik heb nooit mijn mond gehouden, maar als een besluit eenmaal genomen was, werkte ik loyaal mee zoals iedere goede ambtenaar doet.” Bij zijn afscheid wisten voormalige bewindslieden als Nell Ginjaar-Maas (VVD) en Tineke Netelenbos (PvdA) zich nog maar al te goed te herinneren dat Frans Wisman precies zei wat hij ervan vond. Ondanks zijn vertrek, een jaar geleden, houdt het werk hem nog steeds bezig, hij geeft lezingen en naar zijn mening wordt herhaaldelijk gevraagd. Zo ergerde hij zich aan de uitspraken van de nieuwe secretaris-generaal op het departement die na honderd dagen liet weten dat de cultuur moest veranderen en ‘dat het maar eens uit moet zijn met het maken van beleid waarop niemand zit te wachten’. “Daar heb je geen honderd dagen voor nodig”, stelt Wisman, “om tot zulke sjabloonredeneringen te komen. Je helpt er ook niemand verder mee. Managers noemen vaker die termijn, ze spiegelen zich kennelijk graag aan de eerste honderd werkdagen van een Amerikaanse president.” De secretaris-generaal gaf de schoonmaakoperatie bij OC&W de naam Apollo mee, de Griekse god van de wijsheid, het licht. Tijdens een lezing zei Wisman daarover droog: ‘Voor mij, als jongen met een langzame mulo met dansles, ligt de associatie met een raket meer voor de hand. Als u dus binnenkort helemaal niets meer verneemt van het departement weet u waar u de ambtenaren moet zoeken.’
Thuis, in Utrecht, licht hij toe dat hij de uitspraken van de secretaris-generaal van weinig historisch besef vindt getuigen, alsof beleidsambtenaren veranderingen in gang zetten. “Onderwijshervormingen gaan bijna altijd samen met maatschappelijke ontwikkelingen. Neem nu de gymnasia, een explosieve groei, maar Grieks is voor bijna niemand nog een examenvak. Dat is een ontwikkeling waar je als overheid iets mee moet doen, je kunt niet zeggen: ze komen er zelf wel uit.”
Zijn huis staat en hangt vol met kunstwerken, deels van eigen hand, deels aangekocht. “Daar gaat al mijn geld in zitten, als iemand belangstelling heeft leen ik het uit.” Ondanks zijn hobby mist hij het werk: “Ik mis vooral mijn collega’s, wij hadden een goede directie.”
Enige jongen
:Na de mulo deed hij de kweekschool, een gebruikelijke weg in die tijd. Vervolgens ging hij op twintigjarige leeftijd op een lhno-school werken. Het was lager beroepsonderwijs voor meisjes, hij had enkel vrouwelijke collega’s. “Ik was de enige jongen, dus toen de plek van directeur vrijkwam zeiden ze: ‘Dat moet Frans maar doen’. Achteraf gezien was ik te jong voor die functie, vooral na een fusie met het mhno en andere opleidingen, toen had ik de zorg voor zo’n vijftig personeelsleden.” In de avonduren deed hij pedagogiek en startte hij met een rechtenstudie.
De eerste minister die hij als dertigjarige meemaakte op het ministerie, was Jos van Kemenade (PvdA). Hij werd hoofd van een afdeling die het lager beroepsonderwijs in Noord- en Oost-Nederland bestierde. “Alles deden we: de inventaris, de roosters, het personeelsbeleid. Ik zie nog al die mappen die steeds weer binnenkwamen.” Hij had daarnaast een kleine beleidstaak. Later, als projectleider bij de directie voortgezet onderwijs, werd hij verantwoordelijk voor de basisvorming, het vmbo en het lerarenbeleid.
Van Kemenade maakte hij maar kort mee, die werd al snel opgevolgd door Wim Deetman (CDA) met Ginjaar-Maas als staatssecretaris.
Is het niet moeilijk om als ambtenaar steeds weer een andere minister van een andere signatuur te dienen?
Wisman: “Het is eigenlijk verbazingwekkend hoe snel dat gaat, hoe snel ambtenaren op iemand ingewerkt zijn. Soms was het moeilijk, maar meestal ging het om accentverschillen, veranderingen komen niet uit de lucht vallen.” Dat gold ook voor de basisvorming, die van de huidige minister Van der Hoeven niet meer zo genoemd mag worden. Wisman vond dat de basisvorming de laatste tijd vooral nog werd gepresenteerd als het drammerige onderwerp van de PvdA (“Ik heb zelf geen politieke voorkeur, ik weet doorgaans niet eens wat ik moet stemmen”) en dook daarom maar weer eens in het verleden om het tegendeel aan te tonen. “De middenschool werd al in 1972 door de toenmalige minister Van Veen (CHU, een van de voorlopers van het CDA, red.) tijdens zogenoemde resonansbijeenkomsten aan de orde gesteld. Die ideeën over ontplooiing van de mens, een bredere opleiding, hadden te maken met de tijdgeest van de jaren zeventig en waren niet het verzinsel van één man, hoewel Van Kemenade daar met de Contourennota toen handen en voeten aan gegeven heeft. Vervolgens hebben nog verschillende bewindslieden hun tanden erop stuk gebeten.”
Schoffelwerk
:In zijn hele loopbaan heeft hij het met twee onderwerpen moeilijk gehad. Staatssecretaris Karin Adelmund (PvdA) introduceerde, vanwege de kritiek op het vmbo, de leerwerktrajecten. Daar was hij het niet mee eens, nog steeds niet. “Toen ze het tijdens een conferentie in Ede bekend maakte, zei ze: ‘Er is hier één persoon die er niet blij mee is’. Ik vind het een gemakzuchtige oplossing. Het komt er toch op neer dat leerlingen wat schoffelwerk doen, of koffie in een bejaardentehuis inschenken - gewoon goedkope arbeid. Met wat meer moeite kun je het onderwijs in de school anders inrichten en theoretische vakken praktisch invullen. Die eeuwige discussie over algemeen vormende vakken en praktijkvakken, alsof dat tegengesteld aan elkaar is!”
Het lerarenbeleid was het tweede onderwerp waar hij het moeilijk mee had: “Het was een terrein met moeizame discussies, helemaal als het ging over de lerarentekorten. Ik vond het gênant als de ambtenaren-cao beter was dan de net afgesloten cao voor het onderwijspersoneel. Ik vond altijd dat meer salaris zou helpen, maar dan was er weer een enquête geweest waaruit bleek dat docenten kleinere klassen belangrijker vonden. Logisch, je zegt niet zo snel: Ik wil meer geld.”
Hij weet zeker dat zijn collega’s allemaal hart hebben voor het onderwijs, maar ze redeneerden soms wel erg makkelijk: “Bij fusies van scholen bijvoorbeeld zeiden ze dan dat het toch geen probleem was. Waar maakte het onderwijs zich druk over? Terwijl bij hun eigen verhuizing van het departement… je moest eens weten hoe moeilijk de ambtenaren het daarmee hadden.” Toch vindt hij dat het beeld van ambtenaren die maar wat doen en het de scholen alleen maar moeilijk willen maken, niet klopt: “Iedereen is erg betrokken.”
Dichtmetselen
:Wat ging er mis bij het vmbo?
“Wij hebben van tevoren onvoldoende risicoanalyses gemaakt, we zagen daarom niet dat bepaalde onderdelen anders konden uitpakken. Zo wilden we een schaal 11-functie met het idee dat het een ‘upje’ kon worden voor de schaal 10-functies. In de praktijk blijkt dat scholen de 11 vooral gebruiken om de 12-functies af te schaffen. Je zou ook kunnen zeggen dat wij beleidsoptimisten waren die vanuit een bepaald idee dachten zonder rekening te houden met de neveneffecten.”
De explosieve groei van het aantal zorgleerlingen was volgens hem niet te voorzien. “Wij hadden al rekening gehouden met een stijging van twintig procent leerlingen die in aanmerking kwamen voor het leerwegondersteunende traject (lwoo). Dat was buitengewoon veel, met veel extra kosten. Door het nieuwe systeem keken directeuren met andere ogen naar hun leerlingen. Degene die vroeger als een gewone lbo-leerling werd gezien, had opeens toch wat extra zorg nodig. Accent leggen op de vraag brengt groei mee, misschien zijn we ook op dit punt wat te naïef geweest.”
Sommige leerlingen zijn, ondanks het lwoo, niet te handhaven. Sinds de moord op het Terracollege, wil iedereen het oude vso-lom terug. Kan dat nog?
“Het vreemde is dat scholen konden kiezen voor het handhaven van de aparte locaties voor lom en ivbo. Nergens staat dat leerlingen die extra zorg nodig hebben, niet in een apart gebouw mogen. Kennelijk is de integratie heel letterlijk opgevat.” Direct daarop geeft hij toe dat het ministerie niet goed communiceert: “De achtergronden van het beleid komen onvoldoende over. Eigenlijk moeten we vooral contact hebben met docenten, de professionals die het werk doen. In de praktijk is er vrijwel alleen contact met besturen en directies. Tegenwoordig gaat dat beter, zie de taakgroep Basisvorming.”
De vmbo-operatie was nog veel ingrijpender dan de basisvorming, maar Wisman vond het leuk om te doen. “Op het moment hebben veel scholen hun draai gevonden en een vmbo met eigen accenten opgezet.”
Maar de opzet om de mavo bij het vbo te voegen is toch mislukt?
“Ja, terwijl de meeste scholen er vóór waren om het imago van het vbo op die manier te verbeteren. Er zijn veertig regionale bijeenkomsten geweest. Netelenbos heeft oprecht geprobeerd het vmbo als één geheel te richten op het mbo en ‘af te zonderen’ van het havo/vwo, maar dat stond de Tweede Kamer niet toe. Vervolgens zagen heel veel scholen zich door de concurrentie gedwongen de mavo apart te houden, omdat ouders niet voor het vmbo kiezen. Met die marktwerking is onvoldoende rekening gehouden.”
Een doorn in het oog van Wisman was het ‘technisch overleg’, waar open wetgeving, die de scholen veel vrijheid geeft, weer helemaal wordt ‘dichtgemetseld’. De vakbonden waren daar volgens hem meesters in: “Ik ben daarom voor een scheiding van verantwoordelijkheden. De politiek beslist en vakbonden en andere organisaties moeten hun inbreng maar anders zien te borgen. Informeel overleg is altijd goed, maar de huidige werkwijze gaat ten koste van ruimte voor scholen.”
Rioolputje
:Natuurlijk blijft het vmbo een beetje zijn kindje. Het gaat hem aan het hart dat er nu een beeld ontstaat als zou het verworden zijn tot het rioolputje van de maatschappij. “Die beeldvorming gaat een eigen leven leiden. Wat ik dan toch niet kan hebben is dat er maar wat geroepen wordt. Als de directeur van het Vader Rijncollege in Utrecht zegt dat hij de wet aan zijn laars lapt, dan zou hij eerst eens kennis moeten nemen van de regelgeving, daarin is wel degelijk ruimte voor zijn initiatieven.” Schoolorganisatorisch is het vmbo ingewikkeld, tegelijkertijd opereren scholen volgens de voormalige projectleider soms onhandig: “Waarom zou je afzonderlijke schoolonderzoeken organiseren als je ook de cijfers van de toetsen over een bepaalde periode kunt nemen? Ik denk dat de examendruk kan worden verminderd door het beperken van het aantal examenvakken.”
Wisman vreest dat beleid steeds meer wordt ingegeven door vooroordelen of beeldvorming, onder invloed van de media. “Ergens een visie op hebben mag eigenlijk niet meer, dat is not done. Het lijkt succesvoller om mee te deinen met de beeldvorming.”
Misschien is dat wel erg uit de tijd, maar hij vindt dat er toch minstens een samenhang kan worden aangegeven in de dingen die je doet. “Dat hoeft geen gesloten denksysteem te zijn, wel een visie van scholen op het opvoeden en onderwijzen van kinderen. Die kan altijd weer bijgesteld worden en er moet ruimte zijn voor nieuwe zienswijzen, maar dan heb je het ergens over.”
In Ontbijt-tv had hij die ochtend nog twee heren in pak het nieuwe jeugdwerkloosheidsplan zien presenteren, de staatssecretaris van Economische Zaken en de directeur van het Centrum voor werk en inkomen. “Ze werden niet gehinderd door enige kennis van zaken, hadden het over leerwerktrajecten, maar leken het verschil niet te kennen tussen vmbo en mbo. Ik moet natuurlijk oppassen dat niet iedereen gaat roepen: Frans wordt oud, maar hier kan ik dus niet tegen.”