- blad nr 21
- 29-11-2003
- auteur . Overige
- Redactioneel
Niemand kent de wethouder
In groep 8 besteedt iets meer dan de helft van de leraren aandacht aan het landsbestuur en slechts veertig procent bespreekt het gemeentebestuur of 'het Koninkrijk der Nederlanden'. Katja Trim geeft les aan groep 8 van basisschool Jules Verne in Utrecht. "Ik bespreek staatsinrichting niet als apart onderwerp", vertelt ze. "Ik praat erover aan de hand van een actueel thema. Prinsjesdag is daar erg geschikt voor, want dan kun je onderwerpen als de Eerste en de Tweede Kamer bespreken. Verder doe ik er niets aan."
Frank van der Schoot is als projectleider van de Cito-groep nauw betrokken bij de periodieke peiling van het geschiedenisonderwijs. Hij vindt het gebrek aan aandacht voor staatsinrichting de 'meest zorgwekkende' conclusie uit het rapport: "Rond de verkiezingen praten veel leraren wel over politiek, maar verder niet. Dat is echt een probleem, want onze democratie is erop gebaseerd. Je komt overal staatsinrichting tegen: van regering tot de wethouders in je eigen gemeente. Bovendien staan de kranten vol met politiek. Leerlingen moeten er echt wat van weten." De vraag is alleen hoe je leraren kunt stimuleren om staatsinrichting goed te bespreken. Van der Schoot denkt dat het tijd is voor een evaluatie. "We moeten met mensen in het werkveld gaan praten over wat er kan veranderen. Kijk eens naar de waarde van een onderwerp. Is het nodig dat leerlingen alles weten? Moet je ze wel uitgebreid vertellen over gemeentelijk en provinciaal bestuur? Van staatsinrichting moet toch iets moois te maken zijn?"
Jan Steen
De Cito-groep testte de kennis van leerlingen aan de hand van acht tijdvakken, van prehistorie tot de twintigste eeuw. Daarnaast werden onderwerpen als 'samenleving' en 'tijdsbesef' besproken. Met het laatste thema is het niet goed gesteld. Volgens de norm van de Cito-groep moet 70 tot 75 procent voor het onderdeel tijdsbesef een voldoende halen, maar in de praktijk haalt slechts zestig procent van de leerlingen dit niveau. Het Cito maakt onderscheid tussen twee soorten tijdsbesef. Existentieel tijdsbesef, het begrijpen van je eigen leefomgeving zoals je levensloop en die van andere generaties, en het historisch tijdsbesef, waarbij belangrijke gebeurtenissen in de goede tijd geplaatst moeten worden. Bij de eerste vorm van tijdsbesef horen bijvoorbeeld opdrachten waarbij een leerling leeftijden moet schatten, bij historisch tijdsbesef moeten leerlingen schilderijen uit verschillende periodes in de goede volgorde plaatsen (zie opgave 5 en 20).
Ook de kennis van de specifieke tijdvakken valt vaak tegen. Slechts de helft van de leerlingen scoort een voldoende in de tijdvakken prehistorie, oudheid en twintigste eeuw. De Middeleeuwen, de Republiek en de negentiende eeuw komen er nog slechter vanaf. Niet meer dan veertig procent haalt het niveau voldoende.
De Republiek is het slechtst bekend bij leerlingen. In dit tijdvak, waarin het ontstaan van de Republiek en de Gouden Eeuw besproken worden, beheerst de gemiddelde leerling maar 1 van de 38 opgaven echt goed. Velen weten bijvoorbeeld niet dat Jan Steen en Johannes Vermeer beroemde schilders waren en ook admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter is nauwelijks bekend (zie opgave 15). Van der Schoot: "Het is op zich normaal dat sommige tijdvakken wat minder goed bekend zijn dan andere, maar dat leerlingen weinig weten van de Republiek valt behoorlijk tegen. Het is de tijd waarin Nederland gevormd werd en dat is erg belangrijk."
Anne Frank
De meeste leraren zijn tevreden over de geschiedenismethodes. Toch is naar de mening van velen de methode verouderd. Lerares Trim: "We zijn niet lang geleden op een nieuwe aardrijkskundemethode overgestapt en ik denk dat geschiedenis binnen een aantal jaren ook aan de beurt is. We gebruiken 'Op zoek naar vroeger' en die is hard aan vervanging toe. De teksten zijn te lang en de lay-out is echt ouderwets."
Trim organiseert regelmatig een excursie voor haar leerlingen. "Als we het over de Tweede Wereldoorlog hebben, neem ik ze mee naar het Anne Frankhuis. Ik denk dat dit soort uitstapjes belangrijk zijn, omdat leerlingen meer leren als ze iets zien dan wanneer ze het uit een boekje lezen. Het blijft beter hangen", aldus Trim. Ze vindt bovendien dat het bezoeken van musea en tentoonstellingen van invloed is op de interesse van leerlingen. Tweederde van de leraren vindt de leerlingen namelijk ongeïnteresseerd. Trim: "In mijn klas is een groep helemaal niet geïnteresseerd in geschiedenis en een andere groep juist wel. Die zijn door hun ouders vaak meegenomen naar musea en dat speelt wel een rol. Ze zijn meer bekend met geschiedenis en vinden het daarom ook leuker."
Meer dan de helft van de leraren in groep 8 neemt de leerlingen mee op excursie. Tweederde zegt gebruik te maken van videoregistraties, voornamelijk van de onderwijstelevisie. Verder zijn werkstukken, proefwerken en zelf verhalen vertellen populair. Slechts eenderde van de leraren maakt gebruik van de computer.
Kleine terugval
Vergeleken met de peiling in 1995 is het niveau van basisschoolleerlingen bij geschiedenis iets achteruitgegaan, maar volgens Van der Schoot is dat zeker geen groot probleem. "Er is slechts een kleine terugval, maar dat is vrij normaal. We moeten wel aandacht besteden aan de onderwerpen die nu minder goed gaan. Ik denk dat we samen met het werkveld moeten bespreken wat er systematisch meer aandacht verdient."