- blad nr 19
- 7-11-2003
- auteur J. Dronkers
- Opinie
Alles over het onderwijspeil in Nederland
In de discussie over het peil van het onderwijs worden drie verschillende aspecten van dat onderwijspeil door elkaar gehaald, namelijk het niveau van de verworven kennis en vaardigheden, het niveau dat verschillende generaties leerlingen bereiken en het nut van een bepaalde opleiding voor het latere leven. Het peil op het ene aspect kan stijgen, terwijl het peil op het andere daalt. Bovendien moet bij de beoordeling van het peil rekening gehouden met de culturele kennis en vaardigheden die leerlingen buiten het onderwijs om verwerven. Het is voor Nederland van belang een hoog onderwijspeil hebben, want voor een klein verstedelijkt land is een hoog onderwijspeil de enige mogelijkheid om stand te houden in een Europese kenniseconomie.
Het niveau van de verworven kennis en vaardigheden heeft zowel betrekking op de breedte als op de diepte. Bij breedte gaat het om de vakken die onderwezen worden (bijvoorbeeld naast Nederlands en Engels, ook Duits en Frans) en om het percentage leerlingen die in die vakken onderwezen worden. In dit voorbeeld is het niveau in de breedte op het vwo en havo de laatste twintig jaar teruggelopen, omdat steeds kleinere percentages leerlingen Duits en Frans op eindexamenniveau volgden. Bij diepte gaat het om de hoeveelheid van de verworven kennis en vaardigheden: dit wordt het best gemeten met een eindtoets of een eindexamen. Helaas varieert de uiteindelijke becijfering van beide toetsen in de tijd. Daarom gebruik ik wetenschappelijke publicaties waarin deze ongelijke becijfering niet wordt gebruikt, maar waarin de toetsen over de laatste tien jaar zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn gemaakt: Roeleveld voor de eindtoets van de basisschool; Van den Bergh c.s. en Schooten c.s. voor het centraal deel van het vwo- en havo-eindexamen (allen in Pedagogische Studiën). Roeleveld laat zien dat deze vergelijkbare Cito-scores op de basisschool dalen voor autochtone leerlingen. Voor het vergelijkbare centrale deel van het eindexamen wordt geen duidelijk patroon gevonden: het blijft al schommelend van jaar tot jaar min of meer constant. Omdat naast het centrale deel het schoolonderzoek een even belangrijke rol speelt bij zakken of slagen voor dat eindexamen, is het groeiende verschil tussen de becijferingen van beide delen een teken van een soepeler wordende becijfering. Deze vergelijkingen van het niveau van verworven kennis en vaardigheden zijn niet gebaseerd op borreltafelpraat, maar op serieuze wetenschappelijke studies. Op grond daarvan meen ik dat de laatste decennia dit aspect van het onderwijspeil is gedaald, zowel in de breedte als in de diepte.
Badwater
Het niveau dat opeenvolgende generaties leerlingen uiteindelijk bereiken, is een tweede aspect van het onderwijspeil. Het eindniveau waarmee in Nederland de jongste generaties het onderwijs verlaten groeit nog steeds. Deze stijging van het onderwijsniveau moet echter niet ongedaan gemaakt worden door een daling van het niveau van verworven kennis en vaardigheden (zowel breedte als diepte). Als de daling even groot is als de stijging gooien wij het kind (meer kennis en vaardigheden) met het badwater (hoger eindniveau voor allen) weg. Zelf houd ik het erop dat de laatste decennia dit aspect van het onderwijspeil is gestegen.
Het nut van een bepaalde opleiding voor het latere leven is het derde aspect van het onderwijspeil. Bij het nut staat centraal hoeveel arbeidsplaatsen er zijn voor afgestudeerden met een bepaalde opleiding. Als er weinig arbeidsplaatsen zijn in verhouding tot het aantal afgestudeerden verwerven maar weinigen een goede arbeidsplaats en moeten de anderen met minder genoegen nemen. Het nut van die opleiding is dan beperkt en sommigen wijten dit dan aan het lage onderwijspeil. Dat nut van een opleiding kan ook verlaagd worden doordat er te veel hoogopgeleiden zijn, die lager opgeleiden op de arbeidsmarkt 'verdringen'. Verdringing is de laatste twintig jaar toegenomen, doordat de arbeidsmarkt steeds minder past bij de ongerichte groei van het onderwijs. Daarom meen ik dat de laatste decennia dit aspect van het onderwijspeil is gedaald.
Cultuur
Men kan de kwaliteit van het onderwijs niet goed vaststellen aan de hand van deze drie aspecten van het onderwijspeil, omdat men ook nog moet rekening houden met de hoeveelheid culturele kennis en vaardigheden die leerlingen buiten het onderwijs om verwerven. Bij het vergelijken van de kwaliteit van scholen is dit rekening houden met leerlingverschillen algemeen geaccepteerd: alleen de toegevoegde waarde van een school (eindniveau gecompenseerd voor leerlingkenmerken) is de werkelijke kwaliteit van een school. Op grond van dezelfde redenering is een constante score op de eindtoets basisonderwijs een slecht teken, want dat verhult twee tegengestelde tendensen: het gestegen onderwijsniveau van de ouders (en dus meer culturele kennis en vaardigheden bij leerlingen) en dalende kennis bij autochtone kinderen. De toegevoegde waarde van het basisonderwijs is daarom gedaald. Hetzelfde geldt voor een min of meer constante score op het centrale deel van het eindexamen. Dat zou bij gelijke kwaliteit moeten stijgen door het gestegen onderwijsniveau van de ouders. Een soortgelijke redenering gaat op bij internationale vergelijkingen. De hoge scores op wiskunde en taal van het Nederlandse onderwijs zeggen even weinig over haar kwaliteit als hoge eindexamencijfers van een school met kinderen van universitair geschoolde ouders. De scores in internationale vergelijkingen flatteren de kwaliteit van het Nederlands onderwijs, omdat wij een rijk en hooggeschoold land zijn.