• blad nr 19
  • 7-11-2003
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Splinter

In de hal van de school waar ik binnenkom hangen twee jongens onderuit gezakt op een stoel. Tegenover hen staat een leerkracht van een jaar of vijftig. Hij is kwaad. Heel erg kwaad. Uit zijn mond rolt het ene verwijt na het andere. Hij windt zich tijdens zijn schier eindeloze monoloog steeds erger op. Hij spuugt om de haverklap zinnen uit als 'altijd dezelfden' en 'nooit eens gewoon doen'. Op het laatst lijkt er stoom uit zijn oren te komen. De aangesprokenen zakken nog verder onderuit. Ze proberen achteloosheid voor te wenden maar ik zie aan hun wangen dat hen dit slecht afgaat. Het is geen kleinigheid om je rug recht te houden als je de pech hebt een Toesprakenhouder te treffen.
Ik ben altijd geneigd om te maken dat ik weg kom als ik zo'n toesprakenhouder tegenkom. Ik kan slecht tegen de intimiderende woordenbrij waarmee ze hun al dan niet vermeende gelijk kracht bijzetten. Ik verdenk ze ervan dat ze op zo'n moment hun finest hour beleven. Alsof de zin van hun bestaan juist op dit moment het meest tot zijn recht komt. Hier spreekt de moraliteit. De allerhoogste moraliteit. Toesprakenhouders tref je in alle beroepen aan maar in het onze wel het meest. Dat ligt natuurlijk aan het publiek. Zelfs het meest mondige kind houdt verbijsterd zijn mond als hij op deze wijze omvergeblazen wordt. Het enige dat erop zit, is wachten tot het over is. Er zijn collega's die zich niet tot leerlingen beperken. Die spreken ook collega's en ouders op deze wijze aan. Over het Een of over het Ander. Er is altijd wel een Belangrijke Reden: het magazijn ziet er slordig uit, de keuken is niet netjes achtergelaten, er is geen nieuwe koffie gezet, een ouder brengt haar kind steevast te laat naar school. En hup... ineens gaan alle remmen los. Brieven op poten in de postvakken, publiekelijke tirades in de gang, grote plakkaten aan de muur in het stencilhol of in de keuken. Dik onderstreepte zinnen. Zesentwintig uitroeptekens. Toesprakenhouders zijn ook dol op gele memoblokjes met kleefrand. Je vindt ze overal, op het bureau, op de deur: je raam stond nog open, de deur was niet afgesloten, je bent de afwasdienst weer eens vergeten, ik wilde je nog spreken maar je was al naar huis. Ook slaan toesprakenhouders graag toe tijdens de rondvraag op een vergadering. Er is hier geen sfeer, roepen ze verbolgen, dit team straalt niets uit. Hun toespraken kenmerken zich voornamelijk door de woorden 'nooit' en 'altijd' en door het ontbreken van enige zelfkritiek of relativering. Ze zien bij voorkeur de splinter bij de ander. Voor de balk die voor hun eigen hoofd prijkt, hebben ze geen oog. Zelfs als ze het grootste gelijk van de wereld hebben, wil je ze het niet geven. Dat geldt natuurlijk ook voor deze twee treurige jongens die nu in de hal van de school naar de geselende woorden van deze toesprakenhouder luisteren. Ze zullen hem geen gelijk geven. Daar is geen ruimte meer voor. Het enige dat ze nu nog willen, is dat het stopt. Opdat ze schokschouderend weg kunnen lopen en kunnen fluisteren dat die gast gek is. Toesprakenhouders schieten per definitie hun doel voorbij. Dat is hun lot.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.