• blad nr 19
  • 7-11-2003
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Leerling kent Europa beter dan Nederland

Waar liggen Rotterdam en Leeuwarden? Meer dan de helft van de basisschoolleerlingen weet de plaatsen niet aan te wijzen op een kaart. Het is slecht gesteld met de topografische kennis van de schoolgaande jeugd, dat blijkt uit het onderzoek van de Citogroep naar aardrijkskundeonderwijs. De vraag is of de huidige methode niet toe is aan vervanging.

Tekst Leoni Bleumers Beeld Citogroep

Het niveau van de gemiddelde leerling aan het eind van de basisschool voor het vak aardrijkskunde is onvoldoende. De kinderen hebben moeilijkheden met de basisvaardigheden, zoals kaartlezen. De topografische kennis is slecht en de kaart van Nederland is het grootste probleem. Een gemiddelde leerling heeft van 78 van de honderd Nederlandse plaatsen geen idee waar ze liggen, tegen 69 van de honderd op de kaart van wereld. De Europese topografie kennen de leerlingen het best: 'slechts' 65 van de honderd namen waren onvoldoende. Om het niveau 'voldoende' te bereiken moeten leerlingen plaatsen als Leeuwarden, Den Haag en Rotterdam kennen. Dat blijkt niet gemakkelijk te zijn, want slechts zestien procent scoort een voldoende en 58 procent haalt het niveau 'minimum'.
Ronald Wiedemeyer geeft les aan groep 8 van de Blinkertschool in Arnhem. Hij zegt weinig zicht te hebben op de kennis van zijn leerlingen van de Nederlandse kaart, omdat ze dat in groep 6 leren. "Maar bij de geschiedenisles vorige week wisten ze Rotterdam en Amsterdam niet te liggen." Volgens Jolanda van Kuijk, lerares groep 6 van basisschool de Singel in Roosendaal, ligt het probleem bij het gebrek aan herhaling. "In mijn klas draait aardrijkskunde het hele jaar om Nederland, dus mijn leerlingen hebben er geen probleem mee. In groep 7 en 8 wordt er aandacht aan Europa en de wereld besteed, dus dan ebt de kennis over Nederland weer weg. Het moet gewoon vaker herhaald worden."

Stampen
Wiedemeyer vraagt zich af wat het belang van topografie in de huidige vorm is. "Wat hebben leerlingen eraan? Ze stampen het er voor het weekend in, schrijven maandag alles op een papiertje en twee weken later zijn ze het weer vergeten. Ik denk dat er eens gekeken moet worden naar een andere manier om deze kennis over te brengen."
Op de Blinkertschool wordt sinds dit schooljaar een nieuwe aardrijkskundemethode toegepast. Wiedemeyer: "Voorheen besteedden we vooral aandacht aan topografie, maar tegenwoordig leggen we meer de nadruk op bijvoorbeeld wereldgodsdiensten. Hoe leven andere mensen? We vinden het belangrijker dat leerlingen wat weten over een wereldgodsdienst dan dat ze weten waar een of ander klein plaatsje in Nederland ligt."
Frank van der Schoot is als projectleider van de Citogroep nauw betrokken bij het onderzoek. Hij denkt ook dat de huidige onderwijsmethode geëvalueerd moet worden. "Dit is de derde keer dat we het niveau van leerlingen testen en het valt weer fors tegen", vertelt hij. "In het verleden hebben we gekeken naar hoe we het niveau van leerlingen konden verbeteren en nu gaan we dat zeker weer doen." Topografie in de huidige vorm is toe aan verandering, maar Van der Schoot vindt dat een algemeen kaartbeeld wel nodig is. "Als je bijvoorbeeld het nieuws kijkt, moet je bepaalde dingen wel weten. Als er ergens wordt gezegd dat Spijkenisse vlak bij Rotterdam ligt, zul je wel moeten weten waar Rotterdam ligt."

Ongeïnteresseerd
Het interpreteren van kaarten blijkt ook erg lastig. Leerlingen kregen een aantal opgaven voorgelegd zoals het vinden van een winkelstraat, het uitrekenen van de afstand tussen een hotel en bungalow of het aflezen van de hoeveelheid neerslag. De leerlingen beheersten vijftien opgaven goed, 36 matig en 33 opgaven onvoldoende.
De slechte kennis van leerlingen is niet het enige probleem. Leraren blijken ontevreden omdat er te weinig tijd is om lessen voor te bereiden. Bovendien vindt meer dan de helft van de leraren de leerlingen ongeïnteresseerd. Zowel Van Kuijk als Wiedemeyer zegt niets te klagen te hebben over het enthousiasme van leerlingen, maar over de tijd om lessen voor te bereiden zijn de meningen verdeeld. Volgens het onderzoek is er te weinig tijd om dit goed te doen. Van Kuijk heeft hier geen problemen mee, maar Wiedemeyer wel. "Zoals bij veel lessen is het een kwestie van snel doorlezen en dat is het. Meer tijd zou prettiger zijn." Het onderzoek stelt de vraag of een vakleerkracht een oplossing is. Negentig procent van de leraren geeft namelijk aan dat zij aardrijkskunde als apart vak beschouwen. Wiedemeyer ziet niets in een aparte kracht: "Dat lijkt me niet nodig. Ik vind gym en muziek eerder vakken om een leraar van buitenaf voor aan te trekken."

De computer steeds populairder

Het proefwerk blijkt nog steeds het meest gebruikte middel om de aardrijkskundekennis te testen. In de laatste groep gebruikt 96 procent deze vorm. Daarnaast zijn werkstukken, huiswerkopdrachten, zelf verhalen vertellen en videoregistraties populaire middelen voor een aardrijkskundeles. Ook halen bijna alle leraren de landkaart in de klas tevoorschijn, al wordt de computer ook steeds geliefder. In groep 6 maakt eenderde gebruik van de computer en in groep acht de helft. Leerlingen gebruiken vooral internet en cd-roms. Het bezoeken van een tentoonstelling of gebied met de leerlingen komt weinig voor. In groep 6 gaat zestien procent van de leraren er wel eens op uit met de leerlingen, in groep 8 is dat dertig procent

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.