- blad nr 19
- 7-11-2003
- auteur . Overige
- Redactioneel
Onderwijsonderzoek: de spagaat tussen wetenschap en praktijk
Nog niet zo lang geleden kreeg hij er weer een onder ogen: een proefschrift op het gebied van het onderwijsonderzoek zonder enige toepasbaarheid in de praktijk. Maar zijn kritiek daarop werd door de wetenschappelijke goegemeente weggewimpeld. Verband met de praktijk is geen criterium waarop een proefschrift beoordeeld moet worden, vond die. "Als het methodologisch en statistisch maar goed zit; dat lijkt het enige dat telt. Al zou het over komkommers gaan", zegt Marc Vermeulen, hoogleraar onderwijs en arbeidsmarkt aan de Open Universiteit.
Vermeulen staat niet alleen met zijn klacht. Er gaapt een diepe kloof tussen wetenschappelijk onderzoek op onderwijsgebied en het onderwijs zelf, constateerde afgelopen voorjaar ook de Onderwijsraad. Het onderwijs maakt nauwelijks gebruik van de resultaten van onderzoek. Volgens de raad ligt dat deels aan het onderwijs zelf. Als onderzoekers bijvoorbeeld een ingrijpende aanpak van problemen bepleiten, steken scholen daar vaak niet de vereiste tijd in. De scholen pikken de quick-fix-oplossingen uit het onderzoek, ontdekken vervolgens dat die niet werken en reageren dan teleurgesteld - hoewel de onderzoekers al voorspeld hadden dat simpele maatregelen weinig effect hebben.
Maar dat is maar één kant van de medaille. Want weliswaar is het onderwijs zelf vaak slecht in staat onderzoek op waarde te schatten, de andere kant is dat veel onderzoekers zich ook nauwelijks bekommeren om de praktijk. Die richten de blik liever op verre wetenschappelijke horizonten. Volgens Sietske Waslander zit die blikrichting zelfs in het wetenschapsbedrijf zelf ingebakken. In de wetenschap geldt de regel publish or perish, verklaarde zij dit voorjaar bij haar aantreden als hoogleraar sociologie in Groningen. Wie niet publiceert, gaat ten onder. Want de kwaliteit van een onderzoeker wordt afgemeten aan het aantal wetenschappelijke artikelen dat hij produceert. En die artikelen tellen pas echt mee als ze verschijnen in internationale tijdschriften, meestal Engelstalig.
"Dát is het type output dat carričres van wetenschappers maakt of breekt, en dát is het type output dat de verdeling van onderzoeksgelden stuurt", aldus Waslander. Een 'verstandige' wetenschapper besteedt zijn tijd dus vooral aan het schrijven voor dat internationale forum, concludeerde zij. Schrijven over de Nederlandse onderwijspraktijk voor een Nederlands publiek, getuigt volgens haar van een 'kamikazementaliteit': voor je wetenschappelijke carričre is het zelfmoord.
"De inhoud van het onderwijsonderzoek wordt meer bepaald door redacties van Amerikaanse tijdschriften dan door de behoeften van het Nederlandse onderwijsveld", zo omschrijft Marc Vermeulen de consequentie van die internationale wetenschappelijke oriëntatie. Die redacties zijn niet geďnteresseerd in concrete Nederlandse onderwijszaken en dus zal de onderzoeker snel zijn toevlucht nemen tot meer abstracte onderwerpen. Het kan bovendien wel twee of drie jaar duren voor zo'n tijdschrift een artikel plaatst, en ook dat is niet bevorderlijk voor de band met de praktijk. "Prima dat Nederland internationaal meedoet", zegt Vermeulen. "Maar laten we het een doen en het ander niet laten. Laten we ervoor zorgen dat onderzoek óók de praktijk bedient. Maar veel onderzoekers zijn daar huiverig voor. Die verbleken zodra ze aan het harde daglicht van de onderwijspraktijk blootgesteld worden."
Oprakelen
"Nou, nou, nou", protesteert Wim Jochems, "dat is erg overdreven, hoor." Jochems is net als Vermeulen hoogleraar aan de Open Universiteit en daarnaast voorzitter van de Vereniging voor onderwijsresearch (VOR), waarvan zo'n beetje alle onderwijsonderzoekers in Nederland lid zijn. "Maar het rapport van de Onderwijsraad van afgelopen voorjaar heeft nog te weinig discussie veroorzaakt. Daarom wil de VOR die discussie wat oprakelen, want daar is zeker reden toe."
Jochems kent de mechanismen die Waslander en Vermeulen beschrijven. "En inderdaad", zegt hij, "de druk om internationaal te scoren is groot, en dat brengt een drive met zich mee om de Nederlandse context los te laten." Maar hij wil ook wat kanttekeningen plaatsen. Want wordt er niet te veel verwacht van onderwijsonderzoek? Onderzoek is zelden een op een toepasbaar, al was het maar omdat niet alleen wetenschappelijke argumenten, maar ook politieke, economische en ideologische overwegingen bepalen wat er uiteindelijk in het onderwijs gebeurt. "Het zou ook helpen als onderzoeksbevindingen niet meteen vertaald werden in grootschalige vernieuwingen, maar eerst in de praktijk worden beproefd. Dan weten docenten beter wat ze kunnen verwachten."
Toch moet men zich ook aan de kant van de wetenschap eens achter de oren krabben, geeft Jochems toe. Niet voor niets heeft de VOR zelf besloten voortaan regelmatig conferenties te houden voor en over de onderwijspraktijk (zoals eind november in Nijmegen, over het beroep van leraar). Ook zou hij graag zien dat onderzoeksartikelen vaker in het Nederlands geschreven worden en geplaatst kunnen worden in het wetenschappelijk tijdschrift dat de VOR zelf uitgeeft, Pedagogische Studiën. "Doe je dat niet, dan zet je je achterban op een droogje."
Maar de VOR heeft nog wel wat zendingswerk onder haar leden te verrichten, want andere onderwijsonderzoekers zijn het daar volstrekt niet mee eens. "Pedagogische Studiën, dat ligt ook niet op het nachtkastje van elke docent", zegt Ton de Jong. Hij is hoogleraar in Twente en wetenschappelijk directeur van het Interuniversitair centrum voor onderwijsonderzoek (ICO), waarin het werk van zo'n tweehonderd onderzoekers aan tien universiteiten gebundeld is. Wie lid wil worden, moet minstens zes publicaties op zijn naam hebben; slechts één daarvan mag in het Nederlands geschreven zijn. "In internationale tijdschriften gebeurt het, dáár wordt de wetenschappelijke discussie op het scherpst van de snede gevoerd", zo verklaart De Jong die kwaliteitseis.
Schept die eis dan geen afstand tot de Nederlandse onderwijspraktijk, zoals collega's van hem denken? De Jong zegt daar 'heel weinig' van te geloven. "Het gevoel dat veel onderzoek niet toepasbaar is, is inherent aan de wetenschap. Toen het Philips Natlab niet meteen concrete producten opleverde, kwam dat ook onder vuur te liggen", zo relativeert hij de onvrede over onderwijsonderzoek. "Maar de wetenschap is er niet om concreet probleem x op school y op te lossen. Uiteindelijk zal onderzoek meestal wel toepasbaar blijken, maar daar gaat een tijdsspanne overheen."
Wisselwerking
Toch zien onderwijsonderzoekers alom - van Waslander tot en met De Jong - 'beweging' op het gebied van het onderwijsonderzoek. In de traditionele opvatting zijn het wetenschappers die kennis ontwikkelen; die kennis moet vervolgens stap voor stap vertaald worden naar de praktijk. Maar daarnaast doet nu een tweede opvatting opgeld, waarin meer sprake is van wisselwerking. Onderzoek en toepassing gaan daarin hand en hand, wetenschappers en het veld hebben tegelijkertijd hun inbreng en zo wordt ook de kloof tussen wetenschap en praktijk overbrugd.
Het Freudenthal-instituut doet het zo al dertig jaar. Dat instituut, verbonden aan de Utrechtse universiteit, ontwikkelt nieuwe methoden voor wiskundeonderwijs en werkt nauw samen met docenten; sommige onderzoekers staan zelf parttime voor de klas. Zo kan het dus óók, schreef de Onderwijsraad in zijn rapport over de kloof tussen onderzoek en praktijk. "Verrassend, die lof", zegt directeur Jan de Lange. "In de beschaafde wetenschappelijke wereld heeft men heel lang de neus voor ons opgehaald. Men vond dat we te veel aan ontwikkeling en te weinig aan onderzoek deden. Altijd waren er twijfels over onze methodologie of over onze statistische onderbouwing. Maar inderdaad, er is iets aan het veranderen. We werken nu met instituten samen waarvan ik tot voor kort dacht: dat wordt nooit wat. We krijgen met terugwerkende kracht gelijk."
Is er dus hoop voor wie van de wetenschap iets nieuws voor de praktijk verwacht? Misschien. Maar er is ook een tegengestelde beweging gaande, die met de organisatie van het universitair onderzoek samenhangt. Tot nu toe is veel van dat onderzoek per vakgebied samengebracht in landelijke onderzoekscholen, zoals het onderwijsonderzoek in het ICO. Maar die landelijke onderzoeksverbanden lijken hun langste tijd gehad te hebben. Een aantal universiteiten wil niet langer samenwerken met andere universiteiten, maar brengt zijn onderzoek liever onder in lokale verbanden waarvan alleen de 'eigen' wetenschappers deel uitmaken.
Dat is meer dan een organisatorische kwestie. Want in het landelijke ICO-verband werken uitsluitend onderwijsonderzoekers samen. In de lokale onderzoekscholen daarentegen worden zij ondergebracht bij de disciplines waaruit zij ooit zijn voortgekomen, de sociologie of de psychologie. Back to the basics, noemt de Nijmeegse hoogleraar Hetty Dekkers dat, en die trend heeft consequenties voor de koers van het onderwijsonderzoek. "In het onderwijsveld wordt onderwijskunde weliswaar als te weinig praktijkgericht gezien, maar in de wetenschap juist als te weinig wetenschappelijk; het wordt beschouwd als te zeer een toegepaste wetenschap", legt zij uit. "De wetenschappelijke eisen waaraan onderwijskundigen moeten voldoen om aan die lokale scholen te mogen deelnemen, zullen dus alleen maar strenger worden. En dat bevordert de toepasbaarheid niet, nee."
Volgens Dekkers valt het trouwens nog best mee met de kloof tussen onderwijsonderzoek en praktijk. "Als je als docent het blad Didactief en school leest, ben je behoorlijk bij, hoor." Zelf steekt zij veel tijd in een losbladig onderwijskundig lexicon en ook Pedagogische Studiën vindt zij een belangrijk instrument om wetenschappelijke kennis te verspreiden. "Maar het is een spagaat. Aan de ene kant móet ik gewoon in internationale sociologische tijdschriften publiceren om te kunnen deelnemen aan mijn lokale onderzoekschool. Anderzijds wil ik het verspreiden van onderwijskundige kennis niet verwaarlozen."
En dus? Dus is het werk aan publicaties waarvan de Nederlandse onderwijspraktijk direct het nut kan inzien, verdrongen naar de vrije tijd van goedwillende wetenschappers.