- blad nr 16
- 20-9-2003
- auteur . Overige
- Redactioneel
De filosofie van de toegevoegde waarde
Het advies van de Onderwijsraad over de toegevoegde waarde van basisscholen heeft veel reacties losgemaakt. Naast instemmende, waren er veel afwijzende. Een enkele keer meer principieel van aard (het meten van opbrengsten verdraagt zich niet met de pedagogische opdracht van de school) maar meestal meer praktisch van karakter (bureaucratische rompslomp en te hoge kosten). Het meest opvallend is echter dat naar believen een onderdeel van het advies bij de kop werd genomen en bekritiseerd. Zelden werd de achterliggende filosofie in de beschouwing betrokken. Ter oriëntatie geef ik in een aantal stellingen de redeneerlijn van het advies weer.
- Scholen moeten meer vrijheid krijgen om zelfstandig te opereren. De overheid zal meer op afstand moeten toezien.
- Scholen blijven verantwoording verschuldigd aan ouders en overheid
- Meer zelfstandigheid moet gezocht worden in meer zeggenschap over aanpak, inrichting en organisatie van het leerproces.
- De verantwoording dient daarom te verschuiven van over hoe men kinderen iets wil leren naar wat ze hebben geleerd. Het gaat dan om de leerwinst van leerlingen, of wel de opbrengsten van het leerproces.
- De verantwoording van de opbrengsten richt zich in ieder geval op de door het parlement vastgestelde kerndoelen.
- Verschillen in prestaties tussen leerlingen worden niet alleen door de kwaliteit van het onderwijs veroorzaakt maar ook door de capaciteiten van de leerlingen zelf en buitenschoolse omstandigheden (gezin, buurt, enzovoort).
- Om vast te stellen wat de bijdrage van scholen is aan de leerwinst, dient de toegevoegde waarde per leerling te worden vastgesteld.
- Daartoe moeten de opbrengsten aan het eind van de basisschoolperiode in kaart worden gebracht, bij voorkeur voor alle kerndoelen.
- Onderzoek wijst uit dat voor het bepalen van de toegevoegde waarde ook de resultaten op een begintoets bekend moeten zijn. Om praktische redenen is een begintoets op zesjarige leeftijd te prefereren boven die op vierjarige leeftijd.
- Aangezien tijdens de basisschoolperiode buitenschoolse factoren van invloed blijven op de ontwikkeling van de leerling, dient voor de belangrijkste te worden gecorrigeerd. Onderzoek wijst uit dat slechts enkele, gemakkelijk te verkrijgen gegevens relevant zijn.
- De berekening van de toegevoegde waarde door een school wordt door een onafhankelijk instituut verricht.
- De uitkomsten worden in de schoolgids gerapporteerd.
- De onderwijsinspectie combineert deze resultaten met de aantallen verwijzingen naar scholen voor speciaal (basis)onderwijs en met de aantallen zittenblijvers. Deze gegevens vormen de basis van het toezichtskader van de inspectie.
- De gegevens worden niet gebruikt voor bekostigingsmaatregelen
- Voor die kerndoelen waarvoor geen opbrengstgegevens zijn te berekenen, ziet de inspectie toe op de wijze van aanbod en overdracht (zoals nu gebruikelijk).
- De nog te ontwikkelen toetsen dienen zoveel mogelijk aan te sluiten bij wat nu al in scholen gebruikelijk is (Cito-eindtoets, toetsen leerlingvolgsysteem).
Het verhaal begint dus met de wenselijkheid dat de scholen meer vrijheid dienen te krijgen om de overdracht en organisatie naar eigen inzicht in te richten. Dat schoolconcept kan variëren van klassikaal tot ervaringsgericht onderwijs, van montessori- tot jenaplanonderwijs en van protestants tot islamitisch. Uit onderzoek weten we dat geen van deze schoolconcepten goed onderwijs garandeert in de vorm van leerresultaten. Toch komt het voor dat een inspecteur een school maant tot meer adaptief onderwijs terwijl het team en de ouders daar weinig voor voelen en de resultaten goed zijn.
Als het schoolconcept geen garantie is voor goede leerresultaten, dan heeft het ook geen zin om daar centrale voorschriften voor te formuleren. Leerkrachten, ouders en besturen kunnen om andere reden dan de leerresultaten zich meer thuis voelen bij het ene concept dan het andere. De ene ouder wenst, in het verlengde van de thuissituatie, een meer gestuurde aanpak terwijl de andere zweert bij ontdekkend leren. Een andere wenst dat de aangehangen geloofsovertuiging niet alleen in de godsdienstlessen aan bod komt maar ook zoveel mogelijk in de overige lessen. Zolang een en ander niet in strijd is met de fundamentele waarden van de Nederlandse samenleving kan die voorkeur gehonoreerd worden.
Tegelijkertijd kunnen basisscholen niet autonoom zijn in wat ze kinderen willen leren. De samenleving, maar ook het individuele kind, is gebaat bij een basispakket aan kennis, waarden, normen en vaardigheden. Het parlement heeft daarom zijn goedkeuring gehecht aan een set kerndoelen die op elke school moet worden nagestreefd. Dat de school daarnaast haar eigen accenten aanbrengt qua concept of levensovertuiging kan door betrokkenen in onderling overleg worden uitgemaakt. De kerndoelen zijn de piketpalen waar het de autonomie betreft van het leerproces. Over wat scholen daaromtrent presteren zal dus ook verantwoording moeten worden afgelegd. Zowel tegenover de ouders als de samenleving (lees: inspectie). Dat nu is de filosofie die aan het advies van de Onderwijsraad ten grondslag ligt. De uitwerking is techniek en uiteraard dient daarbij rekening te worden gehouden met uitvoerbaarheid, de belasting voor de scholen, fraudegevoeligheid, enzovoort. Maar dat soort overwegingen speelt ook een rol bij het huidige inspectietoezicht dat vooral op de aanbodkant van het onderwijs is gericht.
De discussie over het nut van verantwoording op basis van de toegevoegde waarde zal mijns inziens aan belang winnen als deze zich meer toespitst op het door de Onderwijsraad gekozen uitgangspunt dan op de details van de uitvoering.