- blad nr 11
- 31-5-2003
- auteur . Overige
- Vakwerk
Beestjes in de sla
“De schooltuin zag er eerst niet uit”, vertelt Titia Claassen. “Twee keer in het jaar kwam er iemand van de gemeentelijke groenvoorziening langs om even de heggen te snoeien. Dat was het dan. Het leek mij leuk meer met de tuin te doen. Voor het zicht van de school, maar ook voor het onderwijs.”
Behalve dat kinderen het heel leuk vinden in de tuin bezig te zijn, is het ook goed voor hun ontwikkeling, meent Claassen. “De kinderen worden door de tuin bewust van de natuur en krijgen er belangstelling voor. Als mondiale school proberen wij ze respect voor anderen bij te brengen. Respect voor wat groeit en bloeit hoort daar ook bij.”
Anderhalf jaar geleden is Claassen in samenwerking met een collega met haar tuinproject begonnen. Ze regelden met de gemeente dat de school het onderhoud van de tuin op zich zou nemen. “Eigenlijk doet de gemeente altijd het groenonderhoud bij scholen. Dat is hun beleid”, legt Claassen uit. “Toch reageerden ze direct heel enthousiast op ons voorstel. Ze hebben zelfs gezorgd dat we snel konden beginnen door ons planten, boomschors, stoeptegels en boomstammetjes te geven.”
De tuin bestaat nu uit verschillende delen. Er is een bollen/knollentuin, een groente- en kruidentuintje, een vlindertuin, een composthoop, een eenjarigebloemenhoek en een vogelkastje. Paadjes van boomschors scheiden de tuintjes van elkaar en in elk perkje staan bordjes met namen van de planten of bloemen. De tuin ligt in een hoek om de school en is iets groter dan een leslokaal.
Composthoop
Claassen heeft een overzicht gemaakt van werkzaamheden die elke klas per maand moet verrichten in de tuin. Naast de lessen buiten krijgen de kinderen ook in de klas les. Ze gebruiken hiervoor de methode Leerwereld. “Ik combineer de lessen uit het boek met zelfbedachte activiteiten in de tuin. Komen we in het boek bij een les over compost, dan onderzoeken we de composthoop in de tuin en houden bij hoelang het duurt voor een banaan is verteerd. Zo komt de natuur dichter bij de kinderen.”
De onderwijzers haalt een voorbeeld aan waaruit duidelijk wordt dat de tuin bij de kinderen echt leeft. “Mijn klas heeft vorig jaar zelfgeplante sla uit de tuin gehaald en gebruikt voor een broodje gezond. Ze stonden allemaal versteld van de hoeveelheid beestjes die erin zaten. Dat hadden ze nog nooit gezien bij sla uit de supermarkt. Ze hebben de sla goed gewassen en gewoon opgegeten.”
In mei staan de knollen en bollen op de agenda. Claassen geeft haar groep vijf eerst in de klas les. Ze laat knoflookbolletjes zien, uien, aardappels en de knollen van een dahlia. Ze vertelt wat het verschil is tussen knollen en bollen, hoe ze groeien, hoe ze gepoot moeten worden en of ze bloemen kunnen krijgen. Terwijl de kinderen luisteren, houden ze allemaal een zakje met een aardappel vast die ze speciaal voor deze les hebben meegenomen. Na jufs uitleg gaan de kinderen in groepjes naar buiten. Sommigen mogen aardappels poten, anderen knoflook, uien of de dahliaknollen.
Bodemonderzoek
Niet alles gaat helemaal gecoördineerd. Als Huub (9) probeert zijn knoflookbolletjes te begraven, stuit hij tot drie keer toe op uien die net door zijn voorgangers zijn gepoot. Hij laat zich niet uit het veld slaan en probeert het bij een ander perkje nog een keer waar hij meer succes heeft. Als hij zorgvuldig het zand aandrukt op de plek waar nog net een puntje van de knoflook boven de grond uitsteekt, komen drie andere kinderen al met een emmer water aanlopen om het over de net gepote bolletjes te gieten.
Triomfantelijk loopt Huub de klas weer in om aardappelstempels te gaan maken. Het is de bedoeling dat de kinderen hun meegebrachte aardappel doormidden snijden en uithollen. Door de aardappel in verf te dopen en op papier te drukken maken zij stempels.
“Zo’n tuin is heel afwisselend”, vindt Claassen. “In de herfst hebben we het bijvoorbeeld over paddestoelen, in de zomer bekijken we vlinders. Elke klas heeft andere activiteiten. Zo doen kinderen uit groep acht bodemonderzoek naar de invloed van meststoffen en bekijkt groep drie bodembeestjes. Voor sommige activiteiten moeten kinderen van verschillende groepen ook samenwerken.”
“Zelf vind ik tuinieren heel erg leuk. Dat moet ook wel anders begin je niet aan zo’n project. Het is veel werk en je bent er veel tijd mee kwijt. Het scheelt dat er een groep ouders is die helpt in de tuin. Want hoewel de kinderen veel zelf doen, blijft er genoeg werk over.”
De tuin ziet er al vrij professioneel uit, maar, zegt Claassen, “er zijn nog veel onuitgevoerde plannen. We willen bijvoorbeeld dat de klassen hun activiteiten en onderzoeksresultaten in de computer opslaan zodat we statistieken kunnen maken die we dan kunnen vergelijken. Ook zijn we van plan een bloemenpers aan te schaffen.”