- blad nr 11
- 31-5-2003
- auteur . Lachesis
- Column
Lief
Ik weet dat je het lastig vindt maar je zult toch echt het woord nee moeten leren gebruiken , zeg ik tegen hem terwijl ik resoluut de springstok uit de onwillige handen van Boris trek. Joram kijkt mij verlegen aan. Hij heeft de stok precies tien seconden in zijn handen gehad. N-ee, spel ik. Zeg het eens. Nee, fluistert Joram. Harder!, moedig ik aan. Nee, klinkt het iets fermer. Nog harder, jut ik op. Neeeee!, schalt het nu over het plein. Ik geef hem de stok terug. Boris sloft bozig weg. Op een afstandje blijft hij naar de rondspringende Joram kijken. Na een halve minuut loopt hij weer op Joram af. Wat moest je ook al weer zeggen, roep ik. Neeee!, schreeuwt Joram andermaal. Dan wordt mijn aandacht even afgeleid. Als ik mij weer omdraai, zie ik Boris nog net de hoek om springen.
Het liedje ‘Julia’ is een topper in deze klas. Het gaat over een vrouw wier schoonheid bij nader inzien ernstig tegenvalt. En Julia is zo schoon, ze heeft zulke mooie haren, van voren is het vlas, van achteren is het garen. Het is een onschuldig lied. Een vrolijk lied. Totdat tijdens het zingen enige opschudding ontstaat. Het blijkt dat Roy waar hij Julia hoort te zingen, telkens de naam van Joram zingt. Milan is er uiterst verbolgen over. Hij deed het de vorige keer ook al, roept hij boos. Roy kijkt mij met gespeelde verbazing aan. Het is een grapje, zegt hij, Joram moet er zelf ook om lachen, hè Joram? Hij kijkt Joram indringend aan. Joram lacht als een boer die kiespijn heeft. Het is niet erg, zegt hij lief. Maar het is wel erg. We weten allemaal dat het erg is. Het lied heeft zijn onschuld verloren.
Bij het voorlezen van opstellen gaan de verhaaltjes net iets teveel over hem: Joram die in een val loopt, Joram die verdwaalt. Hij wordt in hun verhalen opgevoerd als de malle Pietje van de klas. Bij het spelen van een spel is hij immer degene die de bal op moet halen, die eeuwig aan de beurt is om de tikker te zijn. Als iemand zich moet opofferen in het belang van het een of ander valt onherroepelijk zijn naam als eerste.
Joram schikt zich. Nergens in zijn geest huist ook maar het minste beetje verzet. Hij wordt nooit boos. Hij is te lief en te naïef om de reikwijdte van al die zelfzuchtige of opzettelijk boosaardige handelingen te doorgronden. Zelfs als ik alles heb gezien en alles heb begrepen, dan komt hij nog bij me om in het voordeel van zijn beulen pleiten. Het is niet erg, zegt hij dan. Ze deden het niet expres. Dat hebben ze net zelf tegen mij gezegd. Hij is grenzeloos loyaal. Grenzeloos lief.