• blad nr 11
  • 31-5-2003
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

 

‘Scholen willen zelf basisvorming vernieuwen’

De basisvorming staat in de steigers. En scholen en leraren willen zelf bepalen hoe zij straks de vernieuwde basisvorming gaan invullen, zo blijkt uit een inventarisatie van de taakgroep Basisvorming. Voorzitter Meijerink waarschuwt dat daarvoor wel tijd en geld nodig is. “Anders trappen we in dezelfde valkuil als tien jaar geleden.”

In de basisvorming, de onderbouw van het voortgezet onderwijs, zouden individuele vakken meer geclusterd kunnen worden in leergebieden, zoals 'science' en 'mens en maatschappij'. Verder willen scholen meer vrijheid om de basisvorming zelf in te richten en is er behoefte aan meer flexibele leermiddelen. Dat blijkt uit een inventarisatie van de taakgroep Basisvorming onder honderdtwintig scholen.
De basisvorming, die tien jaar geleden werd ingevoerd, staat in de steigers. Want afgelopen jaren kwamen er vele gebreken aan het licht, zoals overladenheid en versnippering van het onderwijsprogramma. Het aannemersbusje van de taakgroep Basisvorming is nu voorgereden om, samen met de scholen, een oplossing te zoeken voor die problemen.
Het oorspronkelijke idee van de basisvorming - één onderwijsprogramma voor alle leerlingen van vmbo tot vwo - is onhaalbaar gebleken. De politiek besloot dan ook het aantal vakken - op dit moment vijftien - in het kernprogramma van de basisvorming te verminderen. De taakgroep kreeg de opdracht om daarbij een nieuwe en minder gedetailleerde set kerndoelen op te stellen, waarbij scholen zoveel mogelijk vrijheid krijgen om zelf de basisvorming in te vullen.

Flexibele leermiddelen
Uit de eerste inventarisatie onder de scholen blijkt dat deze opdracht van de taakgroep op brede steun in het veld kan rekenen. "Iedereen lijkt toe te zijn aan verandering van de basisvorming", zegt Heim Meijerink, voorzitter van de taakgroep. Maar daarna beginnen de opvattingen uit elkaar te lopen. Want er zijn scholen die weinig willen veranderen, terwijl andere scholen juist vakken met elkaar willen integreren in leergebieden, zoals 'natuur', 'mens en maatschappij' of 'kunst'.
Het clusteren van vakken in leergebieden is echter makkelijker gezegd dan gedaan, stelt Meijerink. "Je loopt in de eerste plaats onmiddellijk aan tegen de bevoegdheden." Want niet iedere leraar is bevoegd om in elk van de geclusterde vakken les te geven. Verder zijn er nog geen methoden voor de brede leergebieden beschikbaar. "Alle experimenten met brede leergebieden die ik ken, verlopen buitengewoon moeilijk”, zegt Meijerink. “Sommige scholen pakken het onderwerp vol idealen op, maar het bloedt snel dood. Als de taakgroep straks zou adviseren om de invoering van brede leergebieden mogelijk te maken, moeten er nog oplossingen worden gevonden voor heel wat praktische problemen."
Het vmbo is overigens het best te spreken over het idee van de brede leergebieden, blijkt uit de enquête van de taakgroep. Ook op andere punten komt het vmbo veranderingsgezind uit de bus, net als brede scholengemeenschappen. Havo en vwo lijken het meest behoudend te zijn. "Maar dat zijn ook de schooltypen waar de leerlingen de minste moeite hebben met het overladen programma", verklaart Meijerink. "De basisvorming zorgt daar op dit moment voor de minste dagelijkse problemen."
Als scholen meer vrijheid krijgen om de basisvorming zelf in te richten, kunnen bijvoorbeeld ook vmbo-scholen het onderwijsprogramma beter afstemmen op hun groep leerlingen. In dat geval zou er wel behoefte zijn aan meer flexibele leermiddelen, zodat leraren de lesstof meer op maat kunnen snijden voor hun leerlingen. "We hebben vertrouwen in de educatieve uitgevers dat die methoden er kunnen komen", zegt Meijerink. "Maar het is wel weer een van de voorwaarden voor het slagen van de vernieuwing."
De taakgroep heeft als opdracht meegekregen om de huidige 280 nauw omschreven kerndoelen te verminderen. Het probleem is alleen de vraag wie er dan straks nog weet wat alle leerlingen wanneer kennen en kunnen. Daarop zijn twee antwoorden mogelijk, zegt Meijerink.
De overheid kan in de eerste plaats leerstandaarden maken. "Daarbij worden bij elk kerndoel normen opgesteld, zo van: na twee jaar moet een leerling die naar de havo gaat deze onderwerpen op dit niveau kennen. De overheid zou dat kunnen toetsen met nationale toetsen. Daar is niemand voorstander van", aldus Meijerink.

Tijd is geld
De tweede mogelijkheid is dat de overheid de zaak aan de scholen overlaat. Dat zou volgens de enquête de keuze zijn van veel scholen. "Maar dan moeten die scholen wel verantwoorden hoe de kerndoelen worden gehaald", waarschuwt Meijerink. "En hoe die verantwoording georganiseerd zou moeten worden, daar zijn wij nog lang niet uit."
De taakgroep vindt wel dat er voldoende ontwikkeltijd voor leraren moet komen om de hernieuwde basisvorming invulling te geven. Meijerink: "De leraren moet het doen, zij zullen de nieuwe basisvorming op schoolniveau moeten waarmaken. Daarvoor is deskundigheid en tijd nodig. Over dat eerste maak ik me niet bezorgd, over het tweede wel. Want tijd is geld."
Een van de redenen waarom de basisvorming in 1993 niet slaagde, is volgens Meijerink de korte tijd van invoering, zonder geld voor scholing en ontwikkeling. "Als de mensen op de scholen geen tijd en ondersteuning krijgen om de nieuwe basisvorming in te voeren, trappen we in dezelfde valkuil als toen", denkt Meijerink. Het verschil met 1993 is echter wel dat toen niemand echt warm liep voor de basisvorming. “Terwijl uit onze enquête blijkt dat er nu grote belangstelling is voor vernieuwing van de onderbouw. De wil is er, dat is het grote verschil met tien jaar geleden." Het uiteindelijk advies van de taakgroep Basisvorming wordt in de zomer van 2004 verwacht.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.