• blad nr 11
  • 29-5-1999
  • auteur . Overige 
  • Column

 

Onderzoeksvaardigheden

Een van de belangrijkste vernieuwingen die sinds 1993 in het voortgezet onderwijs aan de orde zijn, is de opname van vaardigheden in de eindtermen. Dat brengt ons onderwijs een flinke stap vooruit, maar daarmee is de praktische uitvoering nog geen feit. Veel is hier afhankelijk van andere vaardigheden: de docent moet in staat zijn de leerlingen de vaardigheden te doen verwerven. Het is allerminst vanzelfsprekend dat docenten dit van de ene op de andere dag kunnen.
In de jaren negentig heeft het procesmanagement zich hardnekkig ingespannen naast kennis en inzicht ook vaardigheden in de examenprogramma¹s te brengen. Dat is uitstekend gelukt. In de eindtermen en kerndoelen van veel vakken zijn expliciet algemene (vakoverstijgende) vaardigheden opgenomen. Wat mij daarbij in het bijzonder aanspreekt, is dat leerlingen moeten leren individueel of in groepsverband een onderzoek uit te voeren. In de basisvorming is sprake van onderzoeksvaardigheden.
De examenprogramma¹s havo/vwo bevatten informatie- en onderzoeksvaardigheden. Vooral bij de natuurwetenschappelijke vakken en mens-en-maatschappijvakken zijn onderzoeksvaardigheden terug te vinden. Het aantrekkelijke van deze wettelijke verplichting is dat de praktijk er niet aan voorbij kan gaan. Meestal betekent nieuwe wetgeving dat er nog een lange weg te gaan is, maar exameneisen kunnen niet straffeloos met voeten getreden worden. Alleen is het de vraag of de uitvoering in de praktijk wel van meet af aan op verantwoorde wijze vorm kan krijgen.
De wet eist dat docenten leerlingen zelfstandig een onderzoek laten uitvoeren. Die eis biedt nog veel mogelijkheden voor een eigen interpretatie. Onderzoeksvaardigheden zijn er in vele soorten. Onderzoek gaat over een kennisgebied. Je moet om onderzoek te doen ook enige kennis hebben om de vereiste vaardigheden te kunnen verwerven. De didactische vormgeving van onderzoekswerk vereist veel vaardigheden van docenten. Docenten moeten min of meer zelf bepalen welke doelen voor de leerlingen ze nastreven, welke opdrachten en begeleiding ze daarbij geven en hoe ze het werk van de leerlingen beoordelen. Veel docenten hebben met deze nieuwe eisen echter nog weinig ervaring opgedaan. Zij zijn er ook niet voor opgeleid. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat veel leraren zich nog onvoldoende toegerust voelen.
De Utrechtse onderzoekers Karel Stokking en Marieke van der Schaaf hebben onlangs een nieuw product gepresenteerd. Zij verzamelden richtlijnen en alternatieven voor docenten over een belangwekkend aspect van de nieuwe eindtermen. Met hun boek Beoordelen van onderzoeksvaardigheden van leerlingen (Utrecht, Onderwijskunde/Isor, 1999) proberen zij een handreiking te geven aan de praktijk. De auteurs richten zich niet alleen tot individuele docenten, maar ook tot secties en schoolleiders. Dat is een sympathieke opstelling. Het beoordelen van onderzoekswerk van leerlingen is immers niet alleen een kwestie van afzonderlijke docenten, maar raakt het beleid van secties en school als geheel.
Alle aandacht in het boek gaat uit naar vraagstukken bij het beoordelen van onderzoeksvaardigheden van leerlingen. Daar komt veel bij kijken. Het betreft kwesties als wat, wanneer en aan de hand waarvan kan worden beoordeeld. Hoe geef je een cijfer aan een reeks van activiteiten die tezamen het onderzoek gestalte geven? Het boek is gelukkig geen handleiding voor hoe het nu precies moet. De auteurs doen allerlei suggesties die het mogelijk maken dat scholen, secties en docenten zelf een aantal keuzes maken op basis van doelen en argumenten. De bruikbaarheid van dit onderwijskundig onderzoek in de praktische situatie van de leraar staat voorop. Overigens zullen de problemen met onderzoek doen in scholen niet de wereld uit zijn. Uit een onderzoek onder vijftig docenten blijkt dat tachtig procent rept over tijdgebrek voor het begeleiden en beoordelen en zeventig procent over gebrek aan media op school.
Stokking en Van der Schaaf hebben praktische vraagstukken rondom onderzoek doen helder en systematisch in kaart gebracht. Hun boek brengt de lezer op ideeën en mogelijkheden om aan de slag te gaan met de nieuwe kerndoelen. De ingewikkeldheid van het onderzoekswerk komt goed in beeld aan de hand van een schema dat in tien onderdelen de vakinhoud en de stappen in een onderzoek bevat. Kortom, een rijke bron voor professioneel overleg over de didactische uitwerking van een welkome vernieuwing in het voortgezet onderwijs.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.