• blad nr 13
  • 29-6-2002
  • auteur M. Zuidweg 
  • Redactioneel

Meer academici voor de klas? 

Enthousiasme voor het vak, daar gaat het om

Leraren met een hbo-achtergrond dagen leerlingen onvoldoende uit. Er moeten academici voor de vwo-klas, vindt de nieuwe KNAW-president prof. dr. Pim Levelt. Maar de werkvloer heeft geen hoge verwachtingen van een academisch geschoold lerarenkorps. "Het is goed als leerlingen een beeld krijgen van de universiteit, maar de wereld bestaat niet alleen uit wetenschap."

Voor wie het horen wil doet Pim Levelt, de nieuwe president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), deze dagen zijn beklag over de middelbare school. Die zou vwo-leerlingen onvoldoende uitdagen, hen niet laten kennismaken met de nieuwsgierige geest van de onderzoeker. Geen wonder dat zo weinig leerlingen kiezen voor wetenschap, zegt Levelt. En dat terwijl het vwo toch staat voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. De KNAW-president vindt dat het vwo zijn taak weer serieus moet nemen. "Ik vind het van het grootste belang dat het talent dat op de middelbare scholen rondloopt, weer wordt aangesproken en wordt uitgedaagd."
De zorg van Levelt is ingegeven door de geringe belangstelling voor de bètastudies. Met uitzondering van biologie trekken zij jaarlijks nog geen dozijn nieuwe studenten. De vele publiciteitsstunten ten spijt, zoals een laptop in bruikleen voor alle eerstejaars. Zelfs informatica, dat toch een duidelijk arbeidsmarktperspectief heeft, trekt weinig studenten. Volgens de KNAW-president zijn de middelbare scholen daar debet aan. "Daar verliezen we ons talent."
De KNAW is niet de eerste de beste herenclub. Het is een van de belangrijkste adviesorganen van de overheid voor wetenschapszaken. Het pleidooi van Levelt wordt op dit moment binnen de KNAW uitgewerkt in een concreet advies. Een klankbordgroep buigt zich over de details.
Dat het vwo niet meer uitdaagt, komt volgens Levelt door de opleiding van het gros van de vwo-leraren. Leraren met een hbo-achtergrond zouden te weinig feeling hebben met wetenschap. Daarom ziet Levelt liever academici voor de klas. Eerstegraads lerarenopleidingen horen volgens hem niet op de hogeschool thuis. Op de hbo-opleiding is te weinig aandacht voor vakinhoudelijke studie. Als het aan de KNAW-directeur ligt, komen de opleidingen voor vwo-leraren allemaal in handen van de universiteit. Precies zoals bij onze directe buren. In Nordrhein-Westfalen en Vlaanderen hebben de vwo-leraren een vijfjarige academische opleiding gehad. Ze zijn ook vaker gepromoveerd. "En het frappante is: daar hebben ze geen lerarentekort."
Het liefst zou Levelt zien dat vwo-leraren ook promoveerden. Toen hij in de jaren vijftig op de middelbare school zat, was dat volgens hem heel gewoon. "Ik denk dat bijna een derde van de leraren die ik had aan een proefschrift werkte. Dat kon je merken ook. Als je zelf onderzoeker bent geweest, ga je heel anders praten en denken over een vak. Een goede onderzoeker twijfelt aan alles, stelt steeds vragen bij een theorie. Tegelijkertijd ziet hij intuïtief allerlei verbanden. Wat je opwekt bij leerlingen is een gevoel van nieuwsgierigheid: graag willen weten hoe een probleem in elkaar steekt. Ik denk dat het voor leerlingen fantastisch is om tegenover mensen te staan met zo'n mentale instelling. Dat is toch heel anders dan een leraar die je vertelt over de feitelijkheden en de wetmatigheden van een vak."
Levelt vindt dat er meer mogelijkheden moeten komen voor leraren om te promoveren. Hij denkt bijvoorbeeld aan werkweken van twee dagen lesgeven en drie dagen onderzoek doen. "Het zou goed zijn als we onze studenten zoiets konden aanbieden. Ik denk dat we dan veel meer mensen warm kunnen maken voor het lerarenvak dan nu." De gepromoveerde leraar moet dan wel naar verhouding worden betaald. Dat betekent een hogere salarisschaal dan zijn niet-gepromoveerde collega's in het vwo.

Interessante werkkring
Het pleidooi van Levelt vindt vooral in academische kring bijval. Piet-Hein van de Ven, hoofd van de universitaire lerarenopleiding van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), vindt ook dat er veel te weinig academici voor de klas staan. "Ik wil niks kwaads zeggen over leraren die hun doctoraal niet hebben gedaan, maar ze kunnen de link school en wetenschappelijk onderwijs niet leggen."
Net als de KNAW-directeur ziet Van de Ven het liefst gepromoveerde vwo-leraren. "Het geeft het vak meer status en je geeft leraren zo een carrièreperspectief. Je laat daarmee ook zien dat het onderwijs een interessante werkkring is voor gepromoveerden." De doorsnee-academicus denkt niet aan een carrière in het onderwijs, is zijn ervaring. Hij wees studenten scheikunde van de KUN onlangs in een voorlichtingsbijeenkomst op de mogelijkheid van promoveren naast een baan als leraar. "Dan zijn er een paar die meteen zeggen: mij niet gezien, ik wil alleen onderzoek doen. Maar het gros reageert verbaasd: goh, daar heb ik helemaal niet aan gedacht. Dit soort perspectieven is bij de meeste studenten volstrekt onbekend."
Overigens ziet Van de Ven twee soorten promovendi voor zich. Zij die promoveren op een vakinhoudelijk onderwerp en promovendi die het eigen onderwijs onder de loep nemen. Zo kan een docent wiskunde promoveren op een wiskundevergelijking, maar evengoed op zijn eigen wiskundeonderwijs. Dat laatste zou volgens Van de Ven vaker moeten gebeuren. "We weten ondanks alle onderzoeken nog veel te weinig over ons onderwijs. We weten bijvoorbeeld nauwelijks hoe onze leerlingen nou precies leren."
Maar didactische scholing is in alle gevallen onontbeerlijk, zegt Van de Ven. "Omdat die gepromoveerde leraren anders binnen de kortste keren het onderwijs weer uit zijn. Iemand die goed is in zijn vak hoeft nog geen goede leraar te zijn."

Andere types
Ans Gielen, hoofd van de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, is sinds de fusie tussen de lerarenopleidingen van de hogeschool en de KUN een directe collega van Van de Ven. En ze is het niet met hem eens. Goed, ook zij vindt dat er best meer academici in de bovenbouw mogen komen. "Het zijn er op dit moment verhoudingsgewijs te weinig." Maar louter academici voor de vwo-klas, vindt zij helemaal niet wenselijk. "Het is goed als leerlingen een beeld krijgen van de universiteit, maar de wereld bestaat niet alleen uit wetenschap. Ik vind het voor de algemene ontwikkeling van leerlingen belangrijk dat ze veel verschillende leraren tegenover zich zien. Ook mensen met een hbo-opleiding. Dat zijn toch vaak andere types, uit een ander sociaal milieu."
De hogeschool heeft naast tweedegraads opleidingen ook vijf eerstegraads opleidingen. Samen trekken ze zo'n vijftig studenten per jaar. Gielen vindt dat leraren zonder doctorandustitel ook toegang moeten houden tot die opleidingen. "Wij krijgen hier vooral havisten en mbo'ers binnen. De ambitieuze studenten onder hen kunnen nu doorstromen naar een eerstegraads opleiding. Snijd je die mogelijkheid af, dan is dat uitermate demotiverend voor die groep."
Maar op sommige scholen is het allang praktijk: academisch geschoolde leraren. Op de zelfstandige gymnasia heeft over het algemeen driekwart van de leraren een doctorandustitel, zegt Hans Marcelis, voorzitter van de Belangengroepering gymnasiale vorming en rector van het Stedelijk gymnasium in Utrecht. Ook Marcelis gelooft in de meerwaarde van academici voor de klas. "Ik denk dat het wenselijk is dat leerlingen een onderzoekshouding ontwikkelen en vertrouwd raken met een wetenschappelijke vraagstelling." Maar hij vindt het niet nodig dat ze ook gepromoveerd zijn. Zijn eigen school telt één leraar die is gepromoveerd en hij vermoedt dat dat op andere gymnasia niet anders is. "Dat komt omdat het vak van leraar en de hele organisatie rondom de school de laatste jaren zo bewerkelijk zijn geworden. Promoveren naast je baan is niet meer te doen."

Noodlijdende bètastudies
De vraag is of leerlingen die worden omringd door academici wèl kiezen voor een bètastudie.
Het wetenschappelijk onderwijs blijkt bij deze groep in trek. Gemiddeld driekwart van de leerlingen van de 38 zelfstandige gymnasia gaat na het behalen van het diploma naar een universiteit. Marcelis vermoedt dat het grote aantal academici voor de gymnasiumklas daar inderdaad aan bijdraagt. "Zij weten denk ik hun enthousiasme voor de universiteit goed over te dragen." Maar dat betekent nog niet dat de bèta's daar profijt van trekken. Marcelis weet niet precies hoeveel van zijn leerlingen op het Stedelijk gymnasium in Utrecht een bètastudie beginnen, maar dat het er weinig zijn staat voor hem vast. "Dat wil niet zeggen dat onze docenten natuurkunde, scheikunde en wiskunde niet inspirerend les geven. Wij hebben hier bètaleraren waarvan ik zeker weet dat ze dat doen. En toch kiezen hun studenten geen exacte richting." Marcelis gelooft dat de verklaring voor de noodlijdende bètastudies niet zozeer moet worden gezocht bij de leraren in het voortgezet onderwijs, maar bij de bètastudies zelf. "De bètastudies hebben de naam zwaar te zijn en niet eens te leiden tot een interessante carrière. Het imago is niet best. Ik denk dat het effectiever is om daar iets aan te doen."
Precies dat zegt ook Koos Slagter, voorzitter van het landelijk directeurenoverleg van lerarenopleidingen vo/bve. Slagter is zelf academicus en was tot voor kort hoofddocent natuur- en wiskunde aan de tweedegraads lerarenopleiding. "Laten we kijken of we het beroepsbeeld van de bètastudies helderder kunnen maken. Want daar ligt volgens mij het probleem. Het beroepsbeeld van veel academische studies is helder, denk maar aan rechten en geneeskunde, maar dat van de bèta's niet. De carrièremogelijkheden van een bètastudie zijn lastig voor het voetlicht te brengen."
Het pleidooi voor meer academici voor de klas, vindt Slagter niet zinvol. "We moeten mensen hebben die enthousiast zijn over hun vak. Daar gaat het om. Ik ken genoeg leraren die via een andere weg in de bovenbouw van het vwo terecht zijn gekomen. Zij hebben een vergelijkbare drive, ze hebben alleen een andere weg gevolgd. Misschien zijn ze wel enthousiaster dan de meeste van hun collega's. Ze hebben tenslotte nogal wat moeite moeten doen om op hun positie terecht te komen."
Voorzitter Frits Gravenberch van de Nederlandse Vereniging voor het onderwijs in de natuurwetenschappen (NVON) vindt het vooral belangrijk dat docenten vakinhoudelijk goed zijn geschoold. Naar zijn indruk is op dat punt nog wel wat winst te behalen. Maar volgens hem komt dat niet doordat er te weinig academici voor de klas zouden staan. "De overheid heeft de laatste jaren gewoon te weinig geïnvesteerd in verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen en in de nascholing van leraren." De oplossing van Levelt voor het tekort aan bètastudenten, deelt Gravenberch niet. "Ik zie veel meer heil in samenwerking tussen universiteiten en middelbare scholen. Laat leerlingen vaker de universiteit in de regio bezoeken en daar in een laboratorium werken aan een opdracht van school. Dan zien ze de onderzoeker bezig in zijn eigen omgeving. En hun leraar neemt zo meteen ook kennis van de wetenschappelijke wereld. Zeker, dat gebeurt nu ook al."

Vroeger
KNAW-voorzitter Pim Levelt herinnert zich veel gepromoveerde academici voor zijn klas. Hij zat in de jaren vijftig op een gymnasium in de buurt van Amsterdam. Ongeveer een derde van zijn leraren was gepromoveerd.
Dat is wel heel veel, zegt Hans Marcelis, voorzitter van de Belangengroepering gymnasiale vorming. Maar ook hij herinnert zich een flinke portie gepromoveerde leraren: tussen een derde en een kwart. Marcelis zat in de jaren vijftig op de middelbare school waarvan hij nu rector is: het Stedelijk gymnasium in Utrecht. Op de hbs had je veel minder gepromoveerde leraren, zegt voorzitter Frits Gravenberch van de Nederlandse Vereniging voor het onderwijs in de natuurwetenschappen (NVON). Hij zat in de jaren vijftig op de middelbare school, maar dan op de hbs in Suriname. De enige gepromoveerde leraar was een vrouwelijke scheikundige.
Piet-Hein van de Ven van de universitaire lerarenopleiding van de KUN zat tussen 1958 en 1964 op het Lyceum voor Jongens in Venray. "Ik denk dat zo'n vier tot vijf van de veertig leraren op mijn school gepromoveerd waren. Maar neem dat maar met een korrel zout. Als jongen interesseerde me het geen moer welke titel mijn docenten hadden." Koos Slagter, voorzitter van het landelijk directeurenoverleg van lerarenopleidingen vo/bve, zat midden jaren zestig op het Christelijk lyceum in Dokkum. Van zijn leraren was er welgeteld één gepromoveerd.
Toen Ans Gielen eind jaren zestig op de havo in Bladel zat, waren gepromoveerde leraren al bijna uitgestorven. Het hoofd van de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen kan zich in elk geval geen gepromoveerde leraar herinneren.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.