• blad nr 21
  • 4-12-1999
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

Bijbaantjes hebben meer invloed op prestaties dan kwaliteit school

Een eerlijke vergelijking van scholen in het voortgezet onderwijs is nu nog onmogelijk. Volgens de onderwijssocioloog René Veenstra, die deze week in Groningen promoveerde, zouden de onderwijsinspectie en Trouw moeten afstappen van beoordelingen van het rendement in de vorm van balletjes of plussen en minnen.

ŒDie beoordelingen zijn heel onverstandig. Daarmee suggereren de inspectie en Trouw veel grotere verschillen tussen scholen dan er in werkelijkheid zijn. Voor het gros - ongeveer driekwart - geldt dat zij niet afwijken van het gemiddelde. Een achtste zit daar echt boven, een achtste is slechter. Op zich is die informatie voor ouders interessant.² Onderwijssocioloog Veenstra plaatst er wel een kanttekening bij. ³De bijdrage van de school aan het verbeteren van de leerlingprestaties is gering. Hoogstens vijftien procent wordt erdoor verklaard. Ook ouders hebben weinig invloed meer op deze leeftijd. Het zijn de leerlingen die hun prestaties in eigen hand hebben.² Het gaat om de motivatie, het aantal uren huiswerk. Zo is de negatieve invloed van bijbaantjes op de schoolprestaties veel groter dan wat de school aan leerwinst kan toevoegen.
In zijn dissertatie Leerlingen-Klassen-Scholen maakt Veenstra duidelijk dat de verschillen tussen leerlingen en tussen klassen zo groot zijn dat het onverstandig is om op basis van gemiddelde prestaties vergaande conclusies te trekken. Hij werkt een nieuwe methode uit die veel nauwkeuriger de Œtoegevoegde waarde¹ van de school bepaalt, door rekening te houden met de achtergrond van leerlingen. Uitgangspunt daarbij is het zorgvuldig bepalen van de leerwinst. Pas als de resultaten van een begintest, bijvoorbeeld de Cito-toets, gekoppeld kunnen worden aan examenuitslagen en achtergrondgegevens van ouders en leerlingen is een eerlijke vergelijking mogelijk.
Door de leerwinst vast te stellen komt Veenstra in zijn onderzoek tot de slotsom dat zwarte scholen het niet slechter doen dan witte. Weliswaar zijn de gemiddelde prestaties op zwarte scholen lager, maar de achterstand tussen allochtone en autochtone leerlingen wordt niet groter. Blijkbaar hebben allochtonen hun achterstand opgelopen in of voor het basisonderwijs. Het voortgezet onderwijs maakt die verschillen niet groter of kleiner, dus weten zwarte scholen net zoveel leerwinst te boeken als witte, zo concludeert Veenstra.
De prestatieverschillen tussen leerlingen zijn zo groot dat hun plaatsing in verschillende schooltypen niet altijd helemaal terecht is, aldus Veenstra in zijn dissertatie. Zo zitten er op de mavo soms leerlingen die wiskunde best op vwo-niveau hadden kunnen volgen, terwijl de havo leerlingen heeft die bij Nederlands zo slecht presteren dat het meer op vbo-niveau lijkt. In de loop der jaren gaan leerlingen echter steeds meer voldoen aan de verwachtingen die bij het schooltype passen waar ze op zitten. Daardoor gaan ze sterk over- of onderpresteren. ³In Nederland is eigenlijk één schooltype te veel², stelt Veenstra. ³Dat er een apart schooltype is voor meer praktisch ingestelde leerlingen is prima, net zoals het goed is dat er een schooltype is dat opleidt voor het hoger onderwijs. Maar dat daar nog twee niveaus tussenzitten - mavo en havo - is eigenlijk één te veel.²

Leerlingen-Klassen-Scholen, door René Veenstra, Thela Thesis, Amsterdam, Ÿ39,50 (ISBN 90-51-70-5018).

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.