- blad nr 21
- 4-12-1999
- auteur O. Bosma
- Commentaar
Scholierenstaking
Er is vrij grote overeenstemming over de aanpak van de problemen: geen centrale ingrepen, maar verbeteringen per school. Van alle kanten komen suggesties: verlichting van de eisen voor het schoolexamen, verbetering van de coördinatie tussen de leraren bij het verdelen van de studielast, vermindering van het verkeer in de school, meer evenwicht tussen klassikale instructie en zelfstudie. In het hoger onderwijs heet dat studeerbaarheid. Daarmee is het in het voortgezet onderwijs verschillend gesteld, mede door de beperkte middelen waarmee de vernieuwing moet worden gerealiseerd. Scholen die op achterstand liggen, zal het niet meevallen om op korte termijn doeltreffende maatregelen te nemen. Daarvoor is een besluitvaardige organisatie nodig, die docenten kan binden aan afspraken. Om bijvoorbeeld lagere schoolexameneisen te realiseren moeten secties het snel eens kunnen worden, eerst intern en daarna in relatie met andere secties. De liefde voor het vak en de platte schoolorganisatie maken dat vaak niet eenvoudig. Maar er is geen keus als het voortgezet onderwijs wil laten zien dat het de eigen verantwoordelijkheid voor het onderwijskundig beleid kan dragen.
Een andere zaak is dat een verzwaring van het programma een van de doelstellingen van de hele operatie was. Voor de generatie leerlingen die hiermee het eerst wordt geconfronteerd, kan dat een breuk betekenen met hun verwachtingen. Maar daarmee zijn ze nog geen proefkonijnen, zoals de actievoerders zeggen. De tweede fase is geen proef, maar een onomkeerbare vernieuwing die niet alleen aan scholen en docenten nieuwe eisen stelt, maar ook aan leerlingen.