• blad nr 11
  • 1-6-2002
  • auteur J. van Aken 
  • Redactioneel

Vmbo-project zet minder leraren voor de klas 

De veiligheid neemt toe naarmate je elkaar beter kent

'Minder handen voor de klas', klinkt tegenstrijdig gezien de situatie in het onderwijs. Toch is dit vmbo-project juist bedoeld ter verkleining van het lerarentekort en om te voorkomen dat leerlingen voortijdig de school verlaten. "Door in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs de vakken door vijf á zes leraren te laten geven, vergroot je de band tussen leraar en leerling", betoogt Wim de Boom, een van de initiatiefnemers van het project.

De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs is een grote stap voor veel leerlingen. Van groep 8 met een of twee leerkrachten naar de brugklas met veelal veertien, vijftien verschillende docenten. "Dat vonden wij een vreemde gang van zaken. Voor leerlingen is het belangrijk dat ze zich in een veilige omgeving begeven. Wil je dat bereiken, dan is vijftien verschillende docenten erg veel", zegt Wim de Boom, coördinator van het Fontys vmbo-team.
Veel docenten hebben bovendien te veel leerlingen, vindt De Boom. Een leraar bijvoorbeeld die een éénuursvak geeft, ziet 850 leerlingen in een week, met een drie- of vieruurs-vak zie je nog altijd 250 tot 300 leerlingen. "Wil je echt contact met leerlingen opbouwen, dan moet je zorgen dat er meer contacttijd is. Om de band tussen leerling en leraar te vergroten, moet een docent meerdere vakken geven."
Het idee achter het project Minder handen voor de klas is door het aantal docenten te verminderen, de contacttijd te vergroten. Het netwerk van scholen die meedoen aan het project bestaat na vier jaar uit ongeveer veertig scholen. Wim de Boom is samen met Henk Sissing de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband tussen het Fontys vmbo-team, het CPS en de Vereniging voor Funderend Onderwijs in Schoolgemeenschappen. Helemaal nieuw is het idee niet. In de tijd van de middenschool en door andere onderwijsvernieuwingsscholen is dit ook al gedaan. "Wij willen er een nieuwe stimulans aan geven", vertelt De Boom.
Een van scholen van het netwerk is het Veurscollege in Leidschendam. Onder andere 'gym en verzorging' en 'techniek en informatica' worden in de vmbo-brugklas door dezelfde docent gegeven. Er is overleg gaande om het project ook in het tweede jaar in te voeren. Marian Lagraauw, geeft Nederlands en Engels aan de twee vmbo-brugklassen, de ene klas zeven uur en haar mentorgroep zelfs tien uur. "Het eerste jaar was rommelig, nu in het tweede jaar bevalt het goed. Meer vakken geeft meer werk, maar met de kinderen werkt het heel prettig. De ouders bellen ook sneller en makkelijker omdat je hun kind beter kent", merkt Lagraauw. Het verschil met vroeger is wel duidelijk. Zo had Lagraauw voorheen acht of negen klassen, nu heeft ze vier klassen. "Na een week ken ik al de meeste namen."
Het contact met de kinderen is beter. "Ik ben altijd in hen geïnteresseerd en zij leren jou ook beter kennen. Daardoor zoeken ze je op en krijg je bijvoorbeeld makkelijker een vinger achter ruzies. Het is belangrijk voor de kinderen dat ze weten dat je ze serieus neemt. 'Je bent net een moeder', zeggen ze soms. Klopt dat ben ik ook, zeg ik dan. 'Maar niet van mij', is dan het antwoord", lacht Lagraauw.
Rick Nell, afdelingsmanager van de vmbo-onderbouw, geeft verzorging aan twee klassen. "Je krijgt een heel andere band met de kinderen. Je bent veel meer een aanspreekpunt en een vertrouwenspersoon." Hij is tevreden met de resultaten. Dit jaar zijn er zo'n acht kinderen uit de les gestuurd, wat weinig is, en zijn er ook maar weinig onvoldoendes bij de rapportvergadering. "Bij docenten neemt de betrokkenheid toe bij het product dat je aflevert. Je bent nu met een klein groepje leerlingen bezig waarvan je met zijn allen moet zorgen dat ze overgaan", aldus Nell.

Betere sfeer
Groot voordeel van een paar leraren die de verantwoordelijkheid voor een groep leerlingen draagt is dat het teamwork wordt. Uit de ervaringen van de scholen blijkt dat de betrokkenheid en het verantwoordelijkheidsgevoel toenemen, terwijl het ziekteverzuim juist afneemt omdat docenten zich veiliger voelen. De sfeer in de klas begint te verbeteren en daardoor stappen leerlingen sneller naar hun docent. "Leraren vinden dat ze in een klein groepje makkelijker kunnen zeggen wat er wel en niet goed gaat", legt De Boom uit. Daarbij kun je met een klein team leerlingen veel effectiever ondersteunen bij problemen. "Alleen al dat tijdens de rapportvergadering elke leraar de besproken leerling echt kent, scheelt bijvoorbeeld enorm." De betrokken scholen merken dat het aantal leerlingen dat de school voortijdig verlaat, afneemt naarmate er minder leraren voor de klas staan. Ook het aantal docenten dat het onderwijs verlaat, vermindert volgens de scholen. "De veiligheid neemt toe naarmate je elkaar beter kent."
Ter illustratie haalt De Boom professor Stevens aan, die ervan uitgaat dat de mens drie basisbehoeften wil vervullen. De behoefte om betekenisvolle relaties op te bouwen, werken aan bekwaamheidsgevoelens en de behoefte aan een zekere autonomie. "De betekenisvolle relatie tussen leraar en leerling is er alleen als er voldoende contacttijd is. Een bekwaamheidsgevoel kan een docent alleen van een leerling krijgen, omdat er weinig tijd is om daar met collega's op te reflecteren. De autonomie is daardoor soms juist te groot. Met minder handen voor de klas kan je deze basisbehoeften beter invullen.
Problemen met de inspectie over lesbevoegdheid ondervinden de vmbo-scholen niet. De wet biedt de mogelijkheid tot het geven van meerdere vakken. Nederlands, Engels en/of een tweede moderne taal is een gebruikelijk combinatie. Evenals wiskunde, met natuur-/scheikunde en/of biologie. Marian Lagraauw van het Veurscollege vult aan: "Daarbij kan iedere leraar in de eerste klas in principe, afgezien van gym en techniek, een vak erbij geven op het gebied waar zijn interesse ligt, eventueel met ondersteuning van een collega."
Een nadeel van minder leraren doet zich voor bij ziekte, dan valt er direct een groter aantal uren uit voor een groep leerlingen. Maar volgens De Boom blijkt uit de ervaringen dat door de grotere betrokkenheid leraren zich wel twee keer bedenken voor ze zich ziekmelden. Docente Lagraauw bevestigt dat. Aan de andere kant kan je bij langdurig verzuim iemand een redelijk aantal uren aanbieden. "Maar ik heb het idee dat leraren die meedoen zich erg verantwoordelijk voelen voor het onderwijs. Als ik me niet helemaal lekker zou voelen zou ik sneller toch naar school gaan. En ik zou het ook gewoon tegen de leerlingen zeggen, niet dat ze daar dan rekening mee houden hoor", grapt ze.
Een ander nadeel: als je een lastige klas hebt, heb je die heel veel uren. "Ook als jij een klas niet bevalt, heb je een probleem. Of als een kind de pest heeft aan een leerkracht, komt hij die meteen bijna elke dag twee, drie uur tegen. Aan de andere kant, heb je ook weer meer uren om een probleem op te lossen", meent ze.

Honkbalknuppel
Niet alle leraren zijn direct bereid meerdere vakken te geven. Zo was De Boom onlangs op een school in Gouda waar een jonge docente tegen hem zei: 'Ik heb de wiskundeopleiding gedaan en wil ook graag wiskunde geven en geen andere vakken'. Terwijl een zij-instromer in Gouda juist zei niet te snappen waarom andere leraren zich zo druk maakten over hun vak, het gaat toch om de leerlingen, vroeg ze retorisch. Maar hij sprak ook een docent die al 28 jaar voor de klas stond en dankzij 'minder handen voor de klas' het plezier in het lesgeven terugvond.
Nell, afdelingsmanager van het Veurscollege, zou niet elke collega vragen voor het project. "Enthousiasme is het selectiecriterium. Als iemand iets heeft van 'moet dat nou', dan hoef je het niet te doen. De docenten zijn uitgezocht op de manier waarop ze lesgeven. Het kind moet centraal staan, soms bestaat er de neiging vaksecties boven de leerlingen te stellen."
Initiatiefnemer De Boom vraagt docenten wel eens wie de regisseur is van het leerproces. Vaak luidt het antwoord in eerste instantie 'ik, want ik help de leerlingen het zo goed mogelijk te doen'. Maar De Boom betoogt dat uiteindelijk de leerling bepaalt of en wanneer er geleerd wordt. "Je kan wel met een honkbalknuppel in de klas gaan staan, maar dat helpt uiteindelijk niks als ze het niet belangrijk vinden. Als ze niet willen leren, houden ze het voor gezien in het vmbo."
Het project is begonnen in het vmbo, maar ook voor havo en vwo ziet De Boom voordelen. Bijvoorbeeld voor de problemen die leraren in het studiehuis ervaren bij het aanzetten tot zelfstandig werken. "Leerlingen voelen zich vaak aan hun lot overgelaten en met minder leraren kun je dat makkelijker opvangen."
Lagraauw is het met hem eens. "Het blijkt bijvoorbeeld dat de basisvorming niet zo goed werkt, daar zou je vakken kunnen clusteren. Van één docent naar dertien is voor kinderen natuurlijk nooit prettig", stelt ze.
Een belangrijk verschil is volgens De Boom dat het vmbo leerlinggericht is en havo/vwo meer vakgericht. In dat opzicht is in het havo en vwo nog een grote omslag te maken, stelt hij. "Eerstegraads docenten op havo en vwo zijn gek van hun vak. In het vmbo is de eerste voorwaarde dat je gek bent van je leerlingen. Niet voor niets is het motto daar 'eerst vertrouwen dan bouwen'. Bij havo en vwo geldt dat veel minder, dus de dominantie van het vak valt daaruit te verklaren."

Eenheidsworst
Het ministerie heeft veel belangstelling voor het project getoond. Het scholennetwerk zou graag geld krijgen om materialen te ontwikkelen en om het netwerk te ondersteunen. Op dit moment zijn er geen methodes gericht op meerdere vakken door één docent. Leergebied 'science', natuurkunde/scheikunde en biologie, zou volgens De Boom één methode kunnen zijn. Net als leergebied 'mens en maatschappij' voor aardrijkskunde, geschiedenis en economie. De ontwikkelingskosten liggen tegen de 350.000 euro. "Het is een beetje het verhaal van de kip en het ei. Het ministerie zegt dat ze geen methodes ontwikkelen, dat we bij de uitgevers moeten zijn. De uitgevers zeggen dat de populatie te klein is. Nog wel ja, zolang er geen methode is."
"Vaktechnisch vullen de vakken in het project elkaar aan", vindt Lagraauw. Zo hoeft ze leerlingen maar een keer uit te leggen hoe ze een verslagje moeten maken voor Nederlands of Engels. "Ook moet ik bijvoorbeeld de gebiedende wijs uitleggen. Het zou handig zijn als dat voor Nederlands en Engels tegelijk in het boek aan bod zou komen, dan zien ze het verband iets meer." Ze vindt sowieso dat de methodes aangepast moeten worden. "De methodes zijn een eenheidsworst. Het is heel lastig zelf differentiatie voor leerlingen aan te brengen."
Een oplossing van het lerarentekort is volgens De Boom een voordeel van 'Minder handen voor de klas'. Op deze manier kun je voorkomen dat leraren gedesillusioneerd het onderwijs verlaten. Ook het begeleiden van lio's en zij-instromers is op deze manier makkelijker, meent hij.
Ook kan het project een oplossing zijn in de discussie over te grote scholen. 'Op deze manier kan je een school opdelen in kleinere eenheden, die pedagogisch-didactisch kunnen verschillen', zei de Onderwijsraad al. Met kleine docententeams is het makkelijker projectonderwijs te ontwikkelen, of probleemgestuurd onderwijs en is het makkelijker om leerlingen op school te houden", aldus De Boom.
Hij merkt tevreden op dat de idealen waarmee de meeste leraren ooit het vak ingestapt zijn, weer bovenkomen. "De basis is dat ze het leuk vinden met leerlingen te werken. Door kleinere docentgroepen komen die idealen weer boven en daarmee komt het plezier terug. Mijn ideaal is dat kinderen het naar hun zin hebben op school, zodat ze school niet meer de rug toekeren, zoals helaas te veel gebeurt."

Bij het CPS is het boek Scholen over: Minder handen voor de klas te bestellen via telefoon: (033)4534344. Meer informatie: Wim de Boom, telefoon (0877)873311, e-mail: w.deboom@fontys.nl

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.