- blad nr 5
- 11-3-2000
- auteur O. Bosma
- Redactioneel
Cao-kloof tussen Hermans en bonden minstens vier procent
De bonden (met uitzondering van de CMHF) vragen voor een cao met een looptijd van een jaar vier procent voor iedereen, een procent eindejaarsuitkering (structureel), 1,5 procent inhalen van salarisachterstanden en een half procent ruimte voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden per sector waarvoor de algemene onderwijs-cao geldt (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, bve). Daarnaast willen ze een extra maatregel voor personeel in de laagste schalen.
Hermans biedt 2,25 procent in het eerste jaar van een cao met een looptijd tot 1 november 2001. In maart 2001 zouden de salarissen met nog eens anderhalf procent omhooggaan.
In een uitgebreid stuk aan de onderwijsbonden spreekt minister Hermans van twee speerpunten om de wervingskracht van het onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren: moderne arbeidsvoorwaarden en betere arbeidsomstandigheden. Hij wil scholen en personen keuzemogelijkheden bieden. Personen zouden, als de schoolorganisatie dit toelaat, langer kunnen werken dan de normbetrekking. Het is aan de werkgever te bepalen of hij hier een persoonlijke toelage tegenover wil stellen.¹ Over een budget om dit mogelijk te maken rept de minister niet.
Hetzelfde geldt voor de flexibilisering¹ van het takenpakket, waarbij leraren de verhouding tussen lestaken, scholing en andere taken zouden kunnen veranderen.
Ziektekosten
Een derde onderwerp voor keuzemogelijkheden zijn de ziektekostenregelingen. Eind 1998 lagen de regelingen (zkoo en zvoo) in de onderhandelingen over de nu lopende cao onder vuur. Het kabinet streefde er toen naar alle ziektekostenregelingen marktconform¹ te maken (lees: te verslechteren). Dat gebeurde toen als bezuinigingsmaatregel. Dat is nu kennelijk niet het geval. Hermans wil onderzoeken of een deel van de middelen die nu omgaan in de ziektekostenregelingen niet elders in het arbeidsvoorwaardenpakket zodanig kan worden aangewend, dat dit per saldo de aantrekkelijkheid van het onderwijs als werkgever ten goede komt¹. De minister denkt hierbij aan de mogelijkheid om onderwijspersoneel keuzevrijheid te bieden bij de besteding van deze middelen, bijvoorbeeld voor het op peil houden van de persoonlijke ict-uitrusting of voor een premiespaarregeling.
De keuzemogelijkheden die de minister de instellingen wil bieden, betreffen de instelling van een scholingsfonds, het inzetten van meer ondersteunend personeel of het verlagen van de lessentaak van beginnende leraren. Over financiėle middelen hiervoor zegt de bewindsman niets.
Hermans wil verkennen in hoeverre het wenselijk is in de nieuwe cao aanvullende afspraken over kinderopvang te maken¹. De bonden willen een zodanige regeling dat in de behoefte wordt voorzien.
Andere voorstellen gaan over het financieel aantrekkelijker maken voor ouderen om langer door te werken of vervangingswerk te doen en over de instelling van een budget bestuur en management¹ voor het primair onderwijs. Hiermee moet ruimte worden geschapen om de omvang van taakrealisatie, de hoogte van de beloning of de ondersteuning van het management aan te kunnen passen aan de specifieke behoefte van scholen.
Competentiebeloning
Ongetwijfeld komt in de onderhandelingen het voorstel terug om een vorm van competentiebeloning voor docenten in te voeren. In de lopende onderwijs-cao zijn hierover in principe afspraken gemaakt. Over de interpretatie daarvan verschillen de partijen zeer van mening. De bonden zijn tegen competentiebeloning. Hermans vermijdt het woord in zijn voorstellenbrief en spreekt nu over differentiatie van salarispatronen en stimuleren van persoonlijke ontwikkeling¹. Hij wil voor de instellingen beleidsvrijheid om cao-afspraken zelf in te vullen. In de huidige regeerperiode is voor beloningsdifferentiatie ruim 200 miljoen gulden beschikbaar.
Waarnemers
AOb-bestuurder Ton Rolvink, die in het overleg optreedt als eerste woordvoerder voor de samenwerkende bonden, voorziet moeizame onderhandelingen. ³Het salarisbod is veel te laag en het is volstrekt onduidelijk of Hermans bij de verdeling van de meevallers meer ruimte krijgt van zijn collega¹s.² Rolvink acht een conflict met stakingsacties verre van onwaarschijnlijk. ³Het zou een slechte zaak zijn, want zoiets is natuurlijk niet bevorderlijk voor campagnes die moeten laten zien hoe aantrekkelijk het is om leraar te worden.²
De onderhandelingsdelegatie van het ministerie van Onderwijs is ten opzichte van de vorige cao-besprekingen uitgebreid met drie waarnemers. Een van hen is afkomstig van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat optreedt als coördinerend ministerie¹ in de onderhandelingen over de acht overheids-cao¹s. Tot nu toe vond de coördinatie plaats zonder dit soort waarnemers in de delegaties. De conclusie ligt voor de hand dat Binnenlandse Zaken de teugels wat strakker wil aanhalen, na het tumult vorig jaar rond de politie- en onderwijs-cao¹s. De twee andere waarnemers komen van de samenwerkende werkgevers (schoolbesturen) in het voortgezet onderwijs en de bve-sector. Volgens Onderwijs hebben zij geen inhoudelijke inbreng. ³Het is niet zo dat de werknemers met twee partijen onderhandelen.² De besturenorganisaties volgden het cao-overleg tot nu toe in een zijkamertje.
De onderhandelaars van de onderwijsbonden zijn niet erg gelukkig met het almaar uitdijen van de vertegenwoordiging van hun gesprekspartner: het proces wordt er niet eenvoudiger op. In de delegatie van het ministerie van Onderwijs zat altijd al iemand van het ministerie van Financiėn.