- blad nr 5
- 11-3-2000
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Hoogleraar Van Wieringen over schaalvergroting
De nieuwe hiërarchie veroorzaakt veel gemopper
Een school is geen bedrijf, de menselijke maat is een voorwaarde voor goed functioneren. In roc1s waar twintig- tot dertigduizend leerlingen rondlopen is die moeilijk te organiseren. Prof. dr Fons van Wieringen, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, mag graag een kritische noot kraken over de jongste ontwikkelingen in het onderwijs. Ook de vakbonden worden daarbij niet gespaard. Zijn lezing op de bijeenkomst van de AOb over de leraar in de 21ste eeuw begon hij als een geroutineerd conferencier. Op droge toon à la Van Rt Reve deed hij een docent na die hem toevertrouwde: RWeet u, het is hier allemaal fout gegaan sinds ik bij het personeel hoor1.
In zijn kamer op de zevende verdieping in de Amsterdamse Wibautstraat somt hij de voor- en nadelen op van deregulering en schaalvergroting: 3Die koppeling is geen natuurwet, in Nederland is dat zo gegaan, maar in Engeland niet. Daar is wel veel gedereguleerd maar zonder fusies.2 Hij vindt de fusies in de bve-sector tot regionale opleidingencentra te ver doorgeschoten: 3Amsterdam heeft nu één roc. Waarom niet twee of drie? Ik ben zelf heel blij dat er naast de Universiteit van Amsterdam nog een Vrije universiteit is, dat houdt je bij de les.2 Hij is nauw betrokken bij het wel en wee van de bve door middel van het Max Goote-kenniscentrum bve waarin de UvA participeert.
Monopolie
In de bve is de schaalvergroting dus doorgeschoten, in het voortgezet onderwijs stagneert ze en ook in het basisonderwijs is de oorspronkelijke norm van 500 leerlingen nooit gehaald. 3De kleine scholen hebben daar de strijd gewonnen, met hulp van de bonden.2 Van Wieringen merkt het op zonder een waarde-oordeel te geven. 3Nu zijn er overal besturenfusies gaande. Voor de kleine scholen wordt het in zo1n situatie steeds moeilijker om hun voorzieningenpeil op niveau te houden.2
Een goed voorbeeld van een groot bestuur met een monopoliepositie is het katholieke schoolbestuur OMO in Brabant. Columnist Ton van Haperen haalde zich de gram van OMO-voorzitter R. Kraakman op de hals, toen hij in een column in Het Onderwijsblad de monopoliepositie hekelde die OMO zich heeft verworven. Van Wieringen: 3Dat is inderdaad een ongezonde situatie. Er moeten in een regio meerdere aanbieders zijn, er moet ook plek blijven voor andere scholen. Er zijn trouwens meer van dat soort grote besturen, maar die hebben dan vestigingen door het hele land.2 Moet de overheid dan geen beperkingen stellen om monopolieposities te voorkomen? Van Wieringen: 3Ik vind niet dat de overheid altijd regelend op moet treden, maar ze zou wel signalen kunnen uitgeven. Bijvoorbeeld door gesprekken aan te gaan en door bepaalde processen wel te stimuleren en andere niet.2
De financiële voordelen van deregulering en schaalvergroting zijn voor Van Wieringen duidelijk. 3De opzet van de overheid was kostenbeheersing, terecht vind ik. Ook de risico1s van het wachtgeld en het beheer van de gebouwen werden aan de instellingen overgedaan. In die zin kun je de operatie geslaagd noemen.2
Maar werden de leerlingen beter van de schaalvergroting? Van Wieringen ziet wel voordelen voor hen als het gaat om het aanbod. 3Er is meer aanbod mogelijk, meer specialisatie.2 Groot nadeel vindt hij voor hen dat het moeilijker is om tot sociale groepsvorming te komen, een voorwaarde voor een goede leeromgeving: 3Vooral als je naar de roc-giganten kijkt. Twintig- tot dertigduizend leerlingen, dat vraagt heel veel van de indeling en architectuur van een gebouw om tot werkbare eenheden te komen. Dat leerlingen het gevoel hebben Rhier woon ik1.2
En hebben docenten voordeel van de fusies? Van Wieringen plust en mint: 3Met een groter bestuur neemt je baanzekerheid toe. Maar dat voordeel is inmiddels wat achterhaald door de tekorten op de arbeidsmarkt, ingehaald door de tijd. Wellicht komt het over vijf jaar weer terug. De interne mobiliteit kun je ook als voordeel noemen, dat geldt nog wel. Wanneer het met een bepaald team of een sectie absoluut niet klikt, kun je makkelijker switchen. Nadeel is dat er veel meer lagen ontstaan, er is meer hiërarchie en daar ontstaat weer veel gemopper over. De nieuwe manager of interim-manager is tegenwoordig niet meer gericht op de inhoud, maar louter op de organisatie.2
Louter consument
Met het verdwijnen van de platte organisatievorm dreigt tevens iedere verantwoordelijkheid voor de organisatie te verdwijnen. De hoogleraar onderwijskunde vindt dat een belangrijk nadeel dat ook meer en meer voor ouders geldt. 3Doordat schoolbesturen steeds groter worden en steeds meer professionaliteit vragen, is het voor de gemiddelde ouder bijna niet meer te doen om in zo1n bestuur te zitten. Ik vond het altijd een groot goed dat zij vooral voor het basisonderwijs zelf medeverantwoordelijk waren. De vakbeweging wil ouders dan ook nog eens uit de medezeggenschapsraad duwen, om er een ondernemingsraad van te maken.2
Maar ouders houden toch een eigen inspraak? Van Wieringen, schamper: 3Ja, een soort cliëntenraad, dan mogen ze alleen nog meepraten, ze worden geheel gemarginaliseerd. Zo worden ze steeds meer in de rol van louter consument gedrukt, dan staan ze tegenover het bestuur en het personeel. Ze denken niet meer mee, maar controleren het product. Als dat niet deugt stappen ze naar de rechter. Ik vind dat een grote achteruitgang.2
Het hanteren van de menselijke maat in het onderwijs heeft ook met het nemen van verantwoordelijkheid te maken. 3Ouders kunnen veel meer verantwoordelijkheid nemen dan ze nu doen, maar ze moeten daartoe gedwongen worden.2
Om de eigen verantwoordelijkheid en creativiteit terug te krijgen moeten er hele nieuwe organisatievormen bedacht worden. Op de AOb-conferentie over de toekomst van de leraar suggereerde Van Wieringen zelfs terug te gaan naar de coöperatieve vorm. Docenten hebben samen een school onder hun beheer met de steun van de ouders. Een ander element dat hij toen inbracht was dat scholen zelf leraren opleiden onder supervisie van een lerarenopleiding. 3Ik denk dat je er in de toekomst van uit moet gaan dat mensen levenslang leren. In zijn loopbaan wil iemand misschien nog een jaar of vijf voor de klas staan. Daar moet de organisatievorm op ingesteld worden. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar we hebben straks te maken met een beroepsbevolking waarvan de helft hoger geschoold is. Jongeren willen zich niet voor hun leven vastleggen, maar willen misschien wel een paar jaar lesgeven. Het voordeel van de school die de hoofdmoot van de opleiding op zich neemt is dat er dan op veel meer plaatsen wordt opgeleid, dat er veel meer contact is met andere sectoren van de maatschappij en dat de school niet alleen uitvoerder is, maar zelf de hand heeft in de opleiding.2
Ook vakbonden zouden een veel creatievere en meer op de inhoud gerichte rol kunnen spelen. Van Wieringen: 3Kijk, zo1n cao is natuurlijk belangrijk, maar dat doe je erbij. Daarnaast hebben mensen behoefte aan steun bij het uitoefenen van hun vak. Neem die hele discussie over achterstandsscholen en de juiste methoden voor Nederlands als tweede taal. Een nieuwe vorm van organisatie zou kunnen zijn om een soort pool te vormen van leerkrachten die daarin gespecialiseerd zijn. Een deel van het achterstandsgeld gaat daar naar toe, ze verzorgen zelf de scholing en verhuren zich aan scholen als specialist. Je kunt het een achterstandsvereniging noemen, waar iedereen donateur van kan worden. Ik ben toch ook lid van Milieudefensie omdat ik dat belangrijk vind? Je moet creatiever denken, mensen meer betrekken bij problemen, want ze willen best helpen. Op deze manier wordt zo1n beroep ook aantrekkelijker.2