- blad nr 5
- 11-3-2000
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Feiten en mythen over het leraarsberoep
Somberen met veel lol
Kunnen jongeren nog overgehaald worden om leraar te worden? Dat is de vraag waar alles om draait. Daarom tracht onderwijsjournalist Robert Sikkes te ontrafelen welke negatieve beelden onjuist zijn. Het ministerie vroeg hem, als onderdeel van de wervingscampagne van nieuwe leraren, een boek te schrijven met zoveel mogelijk feiten over het beroep. Sikkes, altijd een kritisch volger van het beleid, was verrast door de uitnodiging. Hij kreeg de vrije hand bij het bedenken en schrijven van Het sprookje van de statusdaling.
De leraar basisonderwijs, vinden jongeren, is geduldig en heeft een sociaal hart, maar van een docent voortgezet onderwijs hebben ze een zeer negatief beeld. Het is een oudere man met wallen onder de ogen, een buikje, chagrijnig. Hij draagt sandalen en geitenwollen sokken. Het beroep is saai, zonder carrièremogelijkheden, wel met veel vakantie, maar slechtbetaald.
Boven aan het lijstje van criteria voor de beroepskeuze staat bij jongeren Œzelfontplooiing¹. Het zijn niet zozeer de verdiensten alswel de afwisseling en het opdoen van kennis die hoog scoren.
Winter voorbij
Een hoog salaris mag dan niet het belangrijkste zijn, zo laag als in het onderwijs wil niemand verdienen. Onder de kop ŒDe winter is echt voorbij¹ wil Sikkes afrekenen met de misvatting dat de sector nog steeds onderbetaald wordt. Een beginnend leraar verdient inmiddels zestig procent meer dan zeven jaar geleden. Vergeleken met hbo¹ers in andere beroepen zit het onderwijs ongeveer in het midden.
In het voortgezet onderwijs heeft een beginnende leraar nu nog vaak te maken met een bij elkaar gesprokkeld aantal uren, hij start zelden in een volledige baan. Dat zal, gezien de krapte op de arbeidsmarkt, snel verleden tijd zijn. Sikkes wijst er echter op dat het erg lang duurt voordat leraren het eind van hun salarisschaal bereiken. Hij vindt zo¹n traagheid niet meer van deze tijd. Echte carrièretijgers kunnen zich beter niet in het onderwijs begeven, het organisatiemodel is er nog steeds behoorlijk Œplat¹.
Dat de salarissen abominabel laag zijn, mag dan tot de mythen gerekend worden, tegelijkertijd wijst Sikkes er op dat de onderwijsbonden ieder extraatje en iedere salarisverhoging tot in de Tweede Kamer moeten bevechten. Hoewel het personeelstekort verder toeneemt, liggen de laptops echt niet klaar, laat staan dat er lease-auto¹s in de aanbieding komen.
Vakantie
Wat is dan wel een voor jongeren aantrekkelijker kant van een baan in het onderwijs? De lange vakanties. Vergeleken met andere sectoren, zoals welzijnswerk, ziekenhuizen, banken en industrie (jaarlijks zo¹n 25 dagen), hebben leraren van basis- tot hoger beroepsonderwijs tweemaal zoveel vrij (jaarlijks 52-56 dagen). En omdat meer vrije tijd tegenwoordig hoog scoort, zou dit als groot voordeel in het arbeidsvoorwaardenpakket wel eens wat prominenter gebracht mogen worden, vindt Sikkes.
Maar het onderwerp Œlange vakanties¹ is nogal taboe, ontdekte hij. Uit het onderzoek Zelfbeeld leraren van Research International komt naar voren dat het merendeel van de leerkrachten niet openlijk durft toe te geven dat ze enorm genieten van die twaalf weken vrij: ŒVelen omkleden dit onderwerp quasi-verontschuldigend dat zij die vakanties echt nodig hebben om bij te komen of dat er in de vakanties nog veel wordt gewerkt.¹ Sikkes gaat daar een eind in mee, maar vraagt zich ook af waarom leraren niet tegen al die buffelende en veelverdienende IT¹ers een lange neus trekken. Vrije tijd staat immers boven aan het verlanglijstje van de Nederlandse werknemer. Een ander groot voordeel van het onderwijs is dat er heel makkelijk in deeltijd kan worden gewerkt. Tussen de veertig en tachtig procent van de afgestudeerden wil dat.
ŒSprokkelstress¹
Leraren mopperen veel over aanzien en salaris, maar dat staat volgens Sikkes in schril contrast met de lol die zij in hun werk beleven. 82 Procent zou opnieuw de opleiding tot leraar kiezen. En terwijl het soms lijkt of alle scholen worden bevolkt door messentrekkers, noemen leraren het contact met jonge mensen het leukste van hun beroep. Het werk is weliswaar zwaarder geworden omdat jongeren mondiger zijn, ouders veeleisender en het ministerie alsmaar met nieuwe plannen komt, toch wil maar tien procent het onderwijs uit. Leraren zijn gehecht aan hun beroep.
Maar hoe komt het dan dat onderwijs één groot voorportaal blijkt te zijn naar burn-out? De werkdruk is een belangrijke factor. Dat is overigens niet nieuw: de Bond van Nederlandse Onderwijzers had zelfs eigen herstellingsoorden waar leden weer op krachten konden komen. Afgemeten aan de Oeso-cijfers, is de druk op Nederlandse leerkrachten zwaarder dan elders. Zij moeten meer uren lesgeven en hebben grotere klassen. Daarbij komt dat in andere West-Europese landen veel taken worden overgenomen door secretaresses, conciërges en lesassistenten.
Sikkes constateert echter dat de ziekteverzuimcijfers en het aantal vervroegde pensioneringen niet opvallend veel hoger liggen dan in de gezondheidszorg en het maatschappelijk werk (zo¹n zeven procent). Dat leraren veel meer klachten hebben, wijt hij aan een verschijnsel dat hij Œsprokkelstress¹ noemt. Omdat zij een deel van hun werk vrij kunnen indelen en er steeds meer tweeverdienersgezinnen komen, vloeien werk, gezin en vrije tijd in elkaar over. De belangrijkste slachtoffers van dit proces zijn volgens het Sociaal en cultureel planbureau vrouwen en hoger opgeleiden. En aangezien er in het onderwijs relatief veel vrouwen werken die hoger opgeleid zijn, is de conclusie snel getrokken.
Leraren noemen zelf ook de omstandigheden waarin ze moeten werken als belangrijke verzwarende factor. Het gaat dan om hun collega¹s en de organisatie. Sikkes stipt dit in zijn boek even aan. Arbo-onderzoek naar werkstress noemt dit echter als belangrijke negatieve factor.
De laatste mythe die Sikkes uit de weg wil hebben, is die van de status. Eigenlijk heeft de leraar nooit een hoge status gehad, schrijft hij. In ieder geval nooit hetzelfde niveau als de notaris, de dominee en de burgemeester. Aan de hand van historisch onderzoek toont hij aan dat leraren altijd al weinig verdienden, zelfs de docenten aan het gymnasium. En al voor de oorlog werd er geklaagd over gebrek aan status. Leraren lijden onder een permanent gevoel van onderwaardering, concludeert Sikkes, terwijl de Nederlander hen juist zeer waardeert, met een 8.6.
Zullen jongeren na het lezen van zijn wat blijere kijk zich nu massaal aanmelden bij de opleidingen? De auteur zelf betwijfelt dat. Er wordt namelijk nog niet voldaan aan hun belangrijkste wensen: opdoen van kennis en zelfontplooiing. Dat komt door wat Sikkes het Zeeuws-meisje-effect noemt: alles in het onderwijs moet altijd op een koopje. Pas als er meer geld wordt gestoken in secundaire arbeidsvoorwaarden en er ruimte komt voor scholing en reflectie, zal het leraarschap voor jongeren een aantrekkelijk beroep kunnen worden.
Ook voor wie allang aan het beroep is verslingerd, heeft Robert Sikkes een zeer aan te bevelen boek geschreven. Al was het alleen maar omdat veel onderzoeksgegevens nu eens prettig op een rijtje staan en alles in bevattelijke taal opgeschreven is.